Opleidingsdeelname en de opleidingsinspanningen van werkgevers in Vlaanderen

Opleidingsdeelname in Vlaanderen

Wanneer we het over deelname aan opleiding in Vlaanderen hebben, wordt er meestal verwezen naar de indicator op basis van de Enquête naar de Arbeidskrachten (EAK) die meet welk aandeel van de bevolking tussen 25 en 64 jaar de afgelopen vier weken deelnam aan opleiding. Deze indicator schommelt al jaren tussen de 7 en 9% en het groeitempo is onvoldoende om de 15%-doelstelling tegen 2020 te behalen die door zowel de Europese Unie als het PACT2020 werd beoogd. Wanneer we Vlaanderen vergelijken met het EU-gemiddelde van 11,3%, kunnen we op basis van de EAK concluderen dat Vlaanderen een stuk achterop hinkt. In het nieuwe monitoringsrapport omtrent opleidingsdeelname van departement Werk en Sociale Economie en het Steunpunt Werk willen we deze vaststelling nuanceren.

Figuur 1: Opleidingsparticipatie (%) op basis van zes bronnen (Bron: CVTS (2015), AES (2016), LFS (2019), ESJS (2014), EWCS(2015), PIAAC(2012) (Bewerking Steunpunt Werk en Departement WSE))

Een eerste nuance maken we door andere internationale bronnen naast de EAK te leggen. Figuur 1 toont dat Vlaanderen gemiddeld of zelfs boven gemiddeld scoort wanneer gekeken wordt naar de Continuing Vocational Training Survey (CVTS), de Adult Education Survey (AES), de European Working Conditions Survey (EWCS), Programme for the International Assessment of Adult Competencies (PIAAC) en de European Skills and Jobs Survey (ESJS).1

  • 1. OESO-gemiddelde voor PIAAC.
Figuur 2: Vergelijking opleidingsdeelname gedurende vier weken versus twaalf maanden (Vlaanderen, 2009-2019) (Bron: Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) EAK (Bewerking Steunpunt Werk)

Een tweede nuance maken we door de deelname aan opleiding gedurende de laatste twaalf maanden te bekijken (figuur 2).1 Opleidingsdeelname meten gedurende een referentieperiode van vier weken is kort en kan een onderschatting tot gevolg hebben. Hoe beperkter de observatieperiode, hoe kleiner de kans dat korte opleidingen binnen de observatieperiode vallen. Indien we de tijdspanne uitbreiden naar twaalf maanden, dan had in 2019 23,0% van de 25- tot 64-jarige Vlamingen deelgenomen aan opleiding. Dit ligt een stuk hoger dan 8,6% op maandbasis.

  • 1. In 2017 werd de EAK grondig hervormd, wat zorgt voor een breuk in de resultaten. De evolutie moet bijgevolg met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden.

Achter de globale opleidingsdeelname gaan wel een aantal ongelijkheden schuil. Onafhankelijk van de gehanteerde referentieperiode of van de bron, nemen 55-plussers, kortgeschoolden en niet-beroepsactieven minder vaak deel aan opleiding.

Leerbereidheid en drempels bij het volgen van opleiding

Figuur 3: Aandeel 25- tot 64-jarigen (%) dat niet heeft deelgenomen en ook niet wou deelnemen (Bron: AES 2016, Statbel (Algemene Directie Statistiek) – Statistics Belgium en Eurostat (Bewerking Departement WSE)

De Adult Education Survey (AES) van Eurostat geeft ons inzicht in de leerbereidheid van volwassenen. De survey deelt de bevolking op in vier groepen: (1) zij die hebben deelgenomen aan opleiding en geen andere opleiding meer wilden volgen, (2) zij die hebben deelgenomen en graag nog meer hadden deelgenomen, (3) zij die niet deelgenomen hebben, maar dat wel graag hadden gedaan en (4) zij die niet hebben deelgenomen en ook niet wensen deel te nemen. Bijna 60% van de Vlaamse volwassenen heeft de laatste twaalf maanden een opleiding gevolgd of is bereid er één te volgen (groep, 1, 2 en 3 samengeteld).

Hoewel Vlaanderen met een opleidingsdeelname of bereidheid tot opleidingsdeelname van bijna 60% aansluit bij het EU-28 gemiddelde, betekent dit ook dat 42% van de Vlamingen niet deelgenomen heeft en/of niet bereid is om een opleiding te volgen. Deze groep is in het Vlaams gewest groter dan in Europese toplanden zoals de Scandinavische landen. Aan deze groep wordt gevraagd waarom zij niet bereid zijn om opleiding te volgen. Een kwart van alle Vlamingen wil geen opleidingsactiviteit volgen omdat ze aangeven geen opleiding nodig te hebben. Daarmee is ‘geen nood hebben aan opleiding’ de grootste reden waarom mensen niet deelnemen en vormt het de meest hardnekkige drempel rond levenslang leren. Deze groep is oververtegenwoordigd bij niet-beroepsactieven, maar ook bij kortgeschoolden en 55-plussers, terwijl net zij het kwetsbaarst zijn op de arbeidsmarkt wanneer ze zich niet tijdig bijscholen (figuur 3).

Figuur 4: Aandeel 25- tot 64-jarigen (%) dat wel wou deelnemen aan opleiding maar drempels ondervond naargelang achtergrondkenmerken (Vlaanderen, 2016; referentieperiode: 12 maanden) (Bron: AES 2016, Statbel–Statistics Belgium en Eurostat (Bewerking DWSE)

Voor de groep die wel graag (nog meer) opleiding had gevolgd, is ‘tijd’ de belangrijkste drempel voor deelname bij alle subgroepen. De subgroepen waarbij dit het sterkst naar voren komt, zijn volwassenen tussen de 25 en 44 jaar, hooggeschoolden en beroepsactieven. De combinatie van een opleiding met een gezin en/of werk (zoeken), loopt dus vaak moeilijk. Positief is wel dat bij de werkenden het ontbreken van de steun van de werkgever geen belangrijk obstakel blijkt te zijn voor het volgen van opleiding. Werklozen gaven wel vaker aan institutionele drempels te ondervinden zoals het niet voldoen aan de vereiste voorwaarden. Dispositionele - ook psychologische drempels genoemd, zoals negatieve leerervaringen en het zich te oud/ te ziek voelen  voor opleiding - lijken in Vlaanderen maar een kleine rol te spelen, maar zijn toch meer aanwezig bij niet-beroepsactieven, kortgeschoolden en 55-plussers. Deze subgroep acht zich dus vaker niet in staat om nog bij te leren. In tegenstelling tot andere landen, is de kost van opleiding slechts in mindere mate een obstakel voor opleidingsparticipatie (figuur 4).

Opleidingsinspanningen van werkgevers

Figuur 5: Aandeel vormingsbedrijven (%) in de landen van EU-28 (2015) (CVTS – Eurostat/Statbel (Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium) (Bewerking Steunpunt Werk)

Om een transitie naar levenslang leren te realiseren, is het niet alleen belangrijk dat individuen gestimuleerd worden om deel te nemen aan vorming op de werkvloer, maar ook dat bedrijven en sectoren opleidingsinspanningen leveren. Om de opleidingsinspanningen van werkgevers te monitoren, gebruiken we hier de Continuing Vocational Training Survey (CVTS). In 2015 bedroeg het aandeel bedrijven dat opleiding aanbood 85%. Vlaanderen hoort hiermee bij de top van Europa (figuur 5).1 Ook de evolutie over tijd is positief. In Vlaanderen steeg het aandeel bedrijven dat een vorm van opleiding verschafte aan haar personeel, van 61% in 2005 naar 85% in 2015. Daarnaast behoren ook de financiële inspanningen van Vlaamse werkgevers bij de hoogste van Europa.

  • 1. De 100%-score van Letland kan verklaard worden door het feit dat elk bedrijf in de survey heeft aangegeven dat het guided-on-the-job trainingen aanbiedt aan haar werknemers.

Het is opvallend dat er een groot opleidingsaanbod is, verwijzend naar het hoog aandeel vormingsbedrijven, maar dat er niet evenredig op wordt ingegaan door de werknemers en/of dat werknemers geen gelijke toegang tot opleiding hebben. In Vlaanderen neemt volgens de meting van de CVTS nog maar 57% van de werknemers deel aan opleiding. Ondanks dat zowel beleid als werkgevers steeds meer aandacht besteden aan opleiding op de werkvloer en het creëren van een leercultuur die niet stopt na het initiële onderwijs, is deze transformatie nog niet volledig doorgedrongen in de effectieve opleidingsdeelname. De analyse hierboven op basis van de AES leert ons dat individuen kampen met een aantal obstakels die hun opleidingsdeelname belemmeren of dat het hen ontbreekt aan de juiste motivatie om deel te nemen.

Indien we de ondernemingsgrootte mee in rekening nemen, stellen we vast dat de grootste dimensieklasse de hoogste aandelen laat noteren. In navolging van heel wat andere studies geldt nog steeds dat hoe groter het bedrijf is in personeelsaantal, hoe hoger de kans is dat werknemers opleiding volgen. Toch heeft de kleinste categorie (10-49 werknemers) een sterke inhaalbeweging gemaakt op tien jaar tijd. Kleinere bedrijven steken dus meer en meer tijd in de opleiding van hun werknemers. Op sectoraal vlak is er sprake van differentiatie: over de hele lijn steekt de sector ‘Energie, water, afvalverwerking en winning van delfstoffen’ er bovenuit, terwijl de sectoren ‘Horeca’ en ‘Bouwnijverheid’ achterlopen. Er is dus zeker nog marge voor het verder opkrikken van de opleidingsinspanningen, zowel voor de kleinere sectoren als een aantal specifieke sectoren. De CVTS-resultaten geven een rooskleuriger beeld dan de andere internationale surveys. Dat heeft grotendeels te maken met de manier waarop de CVTS is georganiseerd. Het gaat namelijk over een vrijwillige bedrijfssurvey waardoor het aannemelijk is dat bedrijven die meer opleidingsgericht zijn of meer op de hoogte zijn van het onderwerp, sneller zullen deelnemen aan een bevraging over opleidingsinspanningen. Bovendien sluit de CVTS de kleine bedrijven (< 10 werknemers), met doorgaans lagere opleidingsinspanningen, uit.

Conclusie

Het rapport geeft enkele positieve signalen omtrent deelname aan opleiding in Vlaanderen. De Vlaamse werkgevers leveren goede opleidingsinspanningen en zes op tien volwassenen is bereid om opleiding te volgen of heeft al opleiding gevolgd. Maar er zijn ook nog enkele belangrijke werkpunten. Kwetsbare groepen zien minder nood aan opleiding en worden moeilijker bereikt. Voor andere groepen is ‘tijd’ dan weer een drempel die weggewerkt moet worden. Daarnaast wordt opleiding nog vaak ondernomen met het oog op het ‘hier en nu’ en ontbreekt er loopbaandenken – zowel bij werknemers als werkgevers.

Bekijk ook de digitale Dualoog

In deze digitale Dualoog geeft Helena meer uitleg bij het onderzoek.

Was deze informatie nuttig?

Bedankt voor uw feedback!

Recente blogberichten