Conferentie Duaal Leren: De relatie tussen beroeps- en academisch onderwijs vormgeven: socio-economische trends en hun gevolgen voor de toekomst van leren op de werkplek – samenvatting

De keynote speech op de Conferentie Duaal leren werd gegeven door em. prof. dr. Dieter Euler, verbonden aan de Zwitserse Universiteit van St. Gallen. Professor Euler heeft veel ervaring met onderzoek naar beroepsonderwijs, en legde zich later ook toe op het academisch onderwijs. Vlaanderen kan snel een hoog niveau van werkplekleren bereiken door onder andere verder te bouwen op lessen uit Duitsland, dat al enkele eeuwen ervaring heeft met beroepsonderwijs, aldus de professor. Professor Euler boog zich in zijn keynote speech over drie vragen: waarom is het zinvol te reflecteren over beroepsonderwijs? Wat is de verhouding tussen beroepsonderwijs en academisch onderwijs? En wat betekent dit voor beleidsmakers? Wij geven u hieronder een inkijk in zijn antwoorden.

Waarom reflecteren over het beroepsonderwijs en de relatie met het academisch onderwijs?

(1) Socio-economische trends en uitdagingen

Overal ter wereld stijgt het aantal studenten in het hoger onderwijs. In Duitsland steeg het aantal leerlingen dat in aanmerking kwam voor universitaire studies tussen 1965 en 2010 van 7% naar 48,5%. Ook in België zien we een gelijkaardige trend: tussen 1990 en 2010 steeg het aantal studenten aan de universiteit met 140,65%.1 Verder studeren blijkt een rationele beslissing te zijn: een universiteitsdiploma leidt tot een gemiddeld hoger loon, meer werkzekerheid, meer ambitieuze jobs en betere loopbaanperspectieven.

Professor Euler beoordeelt de trend naar een meer academische focus als positief, maar waarschuwt ook voor het risico op sociale polarisatie in zowel het onderwijs als onze bredere maatschappij. In 2018 steeg het aandeel laagpresteerders in België voor leesvaardigheid tot 19%; voor wiskundige geletterdheid steeg het tot 17%2, een fenomeen dat we overigens in heel Europa zien. Bovendien is er nog steeds een sterke relatie tussen een migratie- en/of een lage sociaal-economische achtergrond en zwakke academische resultaten. Volgens Euler lopen laagpresteerders een hoog risico op werkloosheid in een snel veranderende economie. Zo zal digitale technologie een groot aantal jobs voor laagpresteerders vervangen in de toekomst.

Professor Euler waarschuwt weliswaar voor een deterministische blik waarin digitale technologie allesbepalend is. Historisch gezien is er heel wat technologie uitgevonden die geen of slechts later implementatie kende. De professor illustreert dit aan de hand van een voorbeeld uit de geschiedenis. In 1900 schilderde Coté een vliegende postbode als mogelijk toekomstscenario, maar in 2020 kennen we nog steeds de klassieke postbode, hoewel we over leveringen via drones praten. Een ander voorbeeld is de microgolfoven. Die werd uitgevonden in 1947, en kende pas zijn implementatie in de jaren ’80. Toen was een microgolfoven immers niet enkel gebruiksvriendelijk, maar wijzigde ook ons voedingspatroon. Hetzelfde zien we nu met AI, robotica of 3D-printing die slechts traag op gang komen en op heden ook weinig toepassing kennen in het onderwijs. Niettemin concludeerde de professor dat uit meerdere studies blijkt dat – hoewel het onzeker is op welke manier en hoe snel onze wereld zal veranderen – het wel zeker is dat onze wereld verandert en zal veranderen. Die veranderingen zullen verschillen naargelang landen, economische sectoren, bedrijven en beroepen. Digitale technologie is daarbij niet dé bepalende drijver voor ons toekomstig werk en onderwijs, maar wel een belangrijke.

  • 1. Cedefop. (2018). Vocational Education and Training in Europe. Belgium. Geraadpleegd van https://cumulus.cedefop.europa.eu/files/vetelib/2019/Vocational_Education_Training_Europe_Belgium_2018_Cedefop_ReferNet.pdf
  • 2. Statistiek Vlaanderen. (2019, 18 december). PISA-scores. Geraadpleegd van https://www.statistiekvlaanderen.be/nl/pisa-scores

(2) Toekomstige vaardigheden

Figuur 1. De toekomst van werk volgens onderzoek (afbeelding gebruikt met toestemming van D. Euler, overgenomen uit zijn presentatie)

Academisering, sociale polarisatie en digitalisering zijn trends en uitdagingen die twee belangrijke beleidsvragen oproepen: welke vaardigheden zullen we nodig hebben, en hoe leren we deze – al dan niet duaal – aan? Professor Euler onderstreept daarbij dat opleiding en training niet enkel mensen hoort voor te bereiden op hun toekomst in werk, maar ook in de bredere maatschappij.

Wat betreft de aard van werk onderscheidt de professor drie types1: routinewerk door mensen, routinewerk door machines en creatief werk. We krijgen doorgaans binnen een economie of sector een transitie of evolutie van routinewerk door mensen, naar routinewerk door machines, naar creatief werk.

Euler plaatst deze types van werk naast de taxonomie van Bloom (zie figuur 1), die cognitieve skills indeelt in zes niveaus: onthouden, begrijpen, toepassen, analyseren, evalueren/kritisch denken en creëren/innoveren. Deze taxonomie wordt in het onderwijsveld frequent gebruikt bij het formuleren van leerdoelen. De eerste drie niveaus van Blooms taxonomie worden ook wel lage denkvaardigheden genoemd. De moeilijkste drie niveaus heten hoge denkvaardigheden. Hoe dichter men bij creatief werk komt, hoe hoger de cognitieve skills die daarvoor nodig zijn. 

  • 1. Soms naar verwezen als de job/werkpyramide.
Figuur 2. Ontwikkeling van hybride competenties (afbeelding gebruikt met toestemming van D. Euler, overgenomen uit zijn presentatie)

Hybride competenties, zoals complex probleemoplossend denken en ondernemende vaardigheden, winnen aan belang in de toekomst: we moeten ze kennen en kunnen. Ze brengen verschillende aspecten samen: theorie (knowing), praktijk (doing) en persoonlijkheid (being), en daar moet het onderwijs rekening mee houden (zie figuur 2).

Socialisatie – waar theorie, praktijk en persoonlijkheid met elkaar verstrengelen – gebeurt waar de lerende blootgesteld wordt aan het echte leven. Niet louter academisch onderwijs, maar duaal leren of werkplekleren lijkt daarom een geschikte methode om deze hybride competenties te leren.

De verhouding tussen beroepsonderwijs en academisch onderwijs

Figuur 3. Beroeps- en academisch onderwijs in Vlaanderen (afbeelding gebruikt met toestemming van D. Euler, overgenomen uit zijn presentatie)

Onderwijssystemen kennen traditioneel een scheiding tussen academische opleidingen die zich toeleggen op kennisoverdracht en wetenschappelijke methodes enerzijds en beroepsopleidingen die zich richten op praktische vaardigheden en beroepssocialisatie. Doorgaans worden deze in een hiërarchisch verband gebracht, ook op de arbeidsmarkt. Ten opzichte van traditioneel academisch onderwijs ontbreekt het duaal leren dan ook vaak aan een goede reputatie. Dit is niet anders in Vlaanderen, hoewel er hier en daar overlap is (zie figuur 3).

Figuur 4. Verschil en convergentie tussen academisch en beroepsonderwijs (afbeelding gebruikt met toestemming van D. Euler, overgenomen uit zijn presentatie)

Desalniettemin vervaagt de traditionele scheiding tussen academische en beroepsopleidingen. Zowel in academisch onderwijs als in beroepsonderwijs is er een differentiatie bezig.

Binnen het beroepsonderwijs zijn er traditionele beroepsopleidingen en ook opleidingen die een slecht imago hebben (low-status-VET). Daar is veel vraag naar vanuit bedrijven, maar deze opleidingen zijn weinig aantrekkelijk voor de lerende. Daarnaast zijn er ook steeds meer beroepsopleidingen met een hoog imago. Professor Euler noemt dit ‘flagship VET’, waar een lerende die ook voor academisch onderwijs zou kunnen kiezen, toch bewust kiest voor een beroepsopleiding. In Wallonië zijn er bijvoorbeeld duale masterprogramma’s en een optioneel duaal jaar bovenop sommige professionele bacheloropleidingen. Dergelijke programma’s geven een boost aan de reputatie van het beroepsonderwijs. Euler spreekt van een academic drift binnen het beroepsonderwijs.

Aan de kant van het hoger/academisch onderwijs is er ook een differentiatie bezig (zie figuur 4). Er zijn enerzijds de grote universiteiten die erg gericht zijn op academisch onderzoek en kennis, de zogenaamde ‘excellence universities’. Ze staan echter ver af van de arbeidsmarkt. Daartegenover staan de hogescholen en kleinere universiteiten die zich vaker richten op de inzetbaarheid van hun studenten op de arbeidsmarkt. Hun praktijkgerichte opleidingen overlappen gedeeltelijk met de ‘flagship VET’. Euler spreekt van de vocational drift van het academisch onderwijs.

Weliswaar merkt de professor op dat zo goed als elke opleiding op heden een meer hybride systeem toepast met aandacht voor de eerder genoemde hybride competenties, al is de mate waarin sterk verschillend. Dat hybride competenties aan belang hebben gewonnen en meer aandacht krijgen, is ontegensprekelijk.

Wat betekent dit voor beleidsmakers? Vijf pistes, van separatie tot integratie

Hoe kunnen beleidsmakers omgaan met het onderscheid tussen academisch en beroepsonderwijs? Professor Euler onderscheidt vijf opties.

  1. Een eerste mogelijkheid is een terugkeer naar vroeger en het proberen wegwerken van overlappingen. Dit betekent met andere woorden opnieuw een strikte scheiding tussen academische en beroepsopleidingen bewerkstelligen. Dat kan door de toegang tot opleidingen te beperken door bijvoorbeeld het aantal studenten te verminderen, wat beleidsmatig een financieel interessante keuze kan zijn. Ook het beperken van middelen voor universiteiten, is een piste. Weliswaar waarschuwt de professor ook voor een neveneffect. Zo werden er in Duitsland in de laatste decennia meer dan honderd private universiteiten opgericht die, in tegenstelling tot de publieke universiteiten, hoge studiegelden vragen. Hoger onderwijs riskeert ook meer elitair te worden.
  2. Een tweede scenario kan bestaan uit het meer aantrekkelijk maken van beroepsonderwijs door imagocampagnes, en het introduceren en uitbreiden van ‘flagship VET’-opleidingen. Beroepsopleidingen geven daarbij toegang tot een coherent carrièrepad met een aantrekkelijk salaris en veeleisende jobopdrachten.
  3. Er kan ook gekozen worden voor meer doorlaatbaarheid (permeabiliteit) tussen academische en beroepsopleidingen. Zo kan een leerling uit het Zwitsere beroepsonderwijs na het bereiken van ‘vocational maturity’ of beroepsrijpheid, mits bijkomende scholing toegang krijgen tot academische opleidingen. Dat is enigszins paradoxaal, merkt professor Euler op, omdat beroepsopleidingen aantrekkelijk gemaakt worden door de mogelijkheid te creëren dit beroepsonderwijs te verlaten en te opteren voor een academische opleiding.
  4. Een vierde mogelijkheid is om parallelle paden te maken: een beroepsweg en een academische weg. Maar beide paden kunnen wel eindigen in een bachelor, master of PhD. Dat lijkt in Vlaanderen reeds deels verwezenlijkt door de professionele bacheloropleidingen (en graduaatsopleidingen), en in Wallonië ook met professionele masterprogramma’s.
  5. Een vijfde en laatste optie is om academische en beroepsopleidingen met elkaar te integreren. In Duitsland kan een lerende bijvoorbeeld opteren voor een duale opleiding, maar toch via bijkomende cursussen en vakken een bachelordiploma behalen in vier jaar. Ook de eerdergenoemde Waalse voorbeelden kunnen een leidraad bieden, aldus professor Euler.

Conclusie

Professor Euler concludeert dat duaal leren als methode tegemoet komt aan de toekomstige vaardigheidsnoden. Wisselen tussen verschillende paradigma’s is echter moeilijk binnen een onderwijssysteem. Een uitdaging blijft om ook meer kwetsbare studenten mee aan boord te houden zonder hen te stigmatiseren als groep. Beroepsonderwijs heeft een verscheidenheid aan programma’s nodig, waaronder ook ‘flagship VET’, die een antwoord bieden naargelang de ambities van de lerende. Zo worden de ambitie om een meer uitdagende en beter verloonde job te vinden, of het perspectief op een academische opleiding, eerder waargemaakt in flagship VET. De ‘vocational drift’ in academische opleidingen en de ‘academic drift’ in beroepsopleidingen bieden nieuwe mogelijkheden om traditionele drempels tussen de twee onderwijssystemen te overstijgen. Het verbeteren van de reputatie van duaal leren is echter onvoldoende. Beroepsopleidingen moeten een toekomstig perspectief bieden op werkzekerheid, een degelijke verloning en professionele groei. “The proof of the pudding is in the eating,” stelt de professor. Vlaanderen heeft vooral nood aan kwalitatieve duale programma’s voor zowel de bedrijven als de lerenden.

Was deze informatie nuttig?

Bedankt voor uw feedback!

Auteurs

SYNTRA Vlaanderen