Interview met Dirk Van Damme (OESO): Over de toekomst van het (duaal) leren

Het Vlaams Partnerschap Duaal Leren heeft aan SYNTRA Vlaanderen gevraagd om een visie-oefening met zijn leden op te starten. Wat zijn de troeven en aandachtspunten bij duaal leren? Hoe kan levenslang leren in Vlaanderen gestimuleerd worden en wat is de rol van duaal leren hierin? Om die en andere vragen te beantwoorden, sprak Bruno Tindemans, gedelegeerd bestuurder van SYNTRA Vlaanderen, met Dirk Van Damme, onderwijsexpert bij de OESO.

De troef van duaal leren: leren in verschillende contexten

Een essentieel kenmerk van duaal leren is dat het leren niet alleen plaatsvindt in een opleidingsinstelling, maar ook bij een onderneming. Het kan gaan om real life leren bij één of meerdere opleidingsverstrekkers of ondernemingen, maar evenzeer om vormen van afstandsleren of virtual reality. Het leren in verschillende contexten is één van dé troeven van duaal leren.

Dirk Van Damme

VAN DAMME: “Het doel van duaal leren moet zijn dat jonge mensen de nodige competenties en skills verwerven op de meest geschikte en meest efficiënte manier. De cruciale vraag is voor mij: hoe kunnen we trajecten ontwikkelen die bijdragen aan die leeruitkomst, maar dan over voorzieningen en instituties heen? Schools leren is daar een belangrijk deel van, want voor het aanleren van een aantal competenties zijn geconcentreerde, krachtige leeromgevingen nodig. Leeromgevingen waar alles in functie staat van kennis verwerven dus. Leren in realistische omstandigheden is dan weer een ander deel ervan. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om werkplekleren, maar even goed om andere vormen van leren die ingebed zijn in de realiteit. Stages komen gedeeltelijk tegemoet aan deze laatste vorm van leren, maar zijn volgens mij nog altijd veel te bescheiden. De grote uitdaging bestaat erin het ideale evenwicht te vinden tussen schools leren en leren ingebed in de realiteit. En dat evenwicht moet volgens mij meer verlegd worden richting de realistische leeromgevingen, meer dan nu het geval is."

De noodzaak om duaal leren in te vullen als 'breed' leren

Duaal leren wordt vaak nog gezien als een vorm van leren die alleen mikt op specifieke, vaktechnische of toegepaste competenties. Nochtans is duaal leren ook ideaal inzetbaar om generieke competenties aan te leren.

VAN DAMME: “Eigenlijk ben ik wat aarzelender geworden over het hele idee van ‘competentiegericht leren’. Ik vind dat kennis, kritisch denken en dat soort zaken even belangrijk zijn als, laten we zeggen, het meer toegepaste, meer competentiegerichte. Ook daartussen een evenwicht zoeken is volgens mij heel erg belangrijk. Maar, ik denk wél dat kritisch denken even goed kan gestimuleerd worden in realistische leeromgevingen of in werkplekleren. In die contexten kan ook heel diepgaande en gespecialiseerde expertkennis ontwikkeld worden. Eén soort competentie is immers niet noodzakelijk gekoppeld aan één soort leeromgeving.

De basis skills en de traditionele vorm van onderwijs gaan niet verdwijnen. Op internationaal niveau wordt nogal eens gezegd dat we het klassieke curriculum overboord moeten gooien. Maar daar pas ik eigenlijk voor. Ik vind basiskennis nodig om te functioneren in onze samenleving en die basiskennis moet worden overgedragen door het onderwijssysteem. Toch zijn daar ook heel moeilijke vraagstukken bij. Driehoeksmeetkunde, bijvoorbeeld, wordt nog altijd onderwezen in de meeste secundaire scholen van over heel de wereld. Toch zal geen enkele ingenieur de driehoeksmeetkunde gebruiken. Wat mensen wel nodig hebben van de wiskunde, namelijk statistisch denken, wordt niet of nauwelijks onderwezen. Het curriculum moet dus inderdaad worden hervormd en herdacht. Maar toch vrees ik ook voor een te functionalistische aanpak en kortetermijndenken. Nu is codering bijvoorbeeld heel belangrijk, maar moet daarom iedereen ineens leren coderen op school? Een goed niveau van wiskunde en een basis van informatica moeten volstaan. Dit gecombineerd met levenslang leren en leren in de praktijk, in plaats van op een schoolse manier, dát zijn sleutels tot succesvol leren.”

Enkele aandachtspunten voor duaal leren

Een systeem zoals duaal leren houdt niet alleen kansen in, maar ook bedreigingen. Er zijn dan ook een aantal aandachtspunten die we in acht moeten nemen om duaal leren tot een succes te maken.

VAN DAMME: “Na een lange periode waarin iedereen vol lof was over het Duitse en Zwitserse duale systeem, verschijnen er nu steeds meer kritische analyses. Een van de kritieken die nogal indruk maakt op mij, is dat sommige van die duale trajecten dead end streets (noot van de redactie: doodlopende straten) zijn voor jonge mensen. Ze worden als het ware in een te enge trechter geduwd. Daardoor verhogen hun arbeidsmarktkansen misschien op korte termijn, maar op lange termijn houdt dat gevaren in. Zeker als we rekening houden met de ontwikkeling en evolutie van de arbeidsmarkt. Bedrijven gaan nog altijd te functionalistisch en te kortetermijngericht om met die leertrajecten. Het risico is dan dat mensen niet goed opnieuw te trainen zijn, omdat hun trajecten te eng zijn en ze daarin vastlopen. Dat is echter geen noodzakelijk gevolg van duaal leren. Ik denk dat het puur komt doordat sommige van die trajecten te eng zijn gedefinieerd. Cross-sectorale trajecten zouden dit kunnen voorkomen. En vooral voldoende aandacht geven aan transversale competenties. Een individu kan die gerust verwerven in heel specifieke trajecten, maar ze moet wel expliciet ingebouwd worden.

Een ander evident risico van het systeem is dat de discussie over duaal leren gemonopoliseerd wordt door de institutionele belangen van actoren. Dat maken we nu ongeveer mee in Vlaanderen; het onderwijs wil geen stukje van zijn tijd, zeggenschap of macht over het leren van jonge mensen opgeven. Als duaal leren blijft gevangen zitten in die institutionele of territoriale conflicten, draagt dat niet bij tot een goede uitkomst. En daar zijn de jongeren het slachtoffer van.

Wat de ondernemingen betreft, ben ik er nog niet helemaal van overtuigd dat ze de switch gaan kunnen maken naar een denken in termen van lerende organisaties. Zullen ondernemingen niet eerder blijven inzetten op hun kortetermijnbelangen? Dat hangt dan weer samen met de bereidheid om te investeren. Zeker bij de kmo’s is het idee van gedeelde financiële verantwoordelijk helemaal niet zo zeker. Vooral wanneer de arbeidsmarkt krapper wordt.”

Duaal leren als opstap naar levenslang leren - en naar loopbaanzekerheid

Voor duaal leren is duidelijk een belangrijke rol weggelegd op het vlak van levenslang leren, in die zin dat het bij individuen de basis kan leggen voor een leertraject dat de ganse levensloop doorkruist.

VAN DAMME: “De participatie aan volwassenenonderwijs is bij ons nog altijd problematisch laag. Mensen lijken te blijven denken in termen van jobzekerheid, alsof een diploma een levenslang verzekeringsmechanisme is. We zouden beter denken in termen van loopbaanzekerheid. Sommige mensen sturen zichzelf om hun leven lang bij te leren, terwijl anderen veel minder zelfsturend zijn. Op dat vlak zien we een enorme sociale kloof.

Eigenlijk overwaarderen we diploma’s. Een diploma is nu eenmaal het concrete resultaat van scholing, en dat is de koopwaar geweest voor sociale mobiliteit. Via een diploma kon een individu hoger op de sociale ladder terechtkomen. Dat mechanisme is tijdens de tweede helft van de twintigste eeuw zo sterk geweest in Vlaanderen dat we nu nog altijd diploma’s overwaarderen, ten nadele van competenties. En dat terwijl de arbeidsmarkt aan het veranderen is en we veel meer zouden moeten gaan nadenken over hoe we mensen weerbaarder kunnen maken door training en door brede competenties te ontwikkelen. Zo kunnen ze in verschillende jobs terecht en kunnen ze ook gemakkelijk van de ene naar de andere. Duaal leren is hier ideaal voor.”

Levenslang leren voor iedereen

Om levenslang leren ingang te doen vinden, is er een goed doordacht beleid nodig. En daar heeft de overheid een belangrijke rol te spelen.

VAN DAMME: “Ik denk dat de overheid voornamelijk een regierol heeft op het vlak van levenslang leren. Ze moet het algemeen belang bewaken, maar ze moet daarom niet alles zelf organiseren. Dat ligt voor een groot stuk bij bedrijven, opleidingsverstrekkers, enzovoort. We moeten gaan naar nieuwe overheidsmodellen van levenslang leren. In sommige landen zijn er toch wel indrukwekkende vormen van de Whole-of-Government Approach, een horizontale manier om over skills na te denken, zoals in Nederland. Een paar kleinere landen doen het ook niet slecht, zoals Slovenië. Het gaat voornamelijk over mensen samenbrengen, proberen te zorgen voor een gemeenschappelijke visie aanpak. Op dit moment hebben we hier een echte ‘kerstboommentaliteit’. Het beleid rond levenslang leren is een kerstboom met veel verschillende pakjes eronder, zoals betaald educatief verlof, vormingsverlof enzovoort. We moeten ook naar nieuwe financieringsmodellen gaan, maar dat is een vraagstuk waar nog niet veel antwoorden op zijn. Ik meen dat er een algemene consensus is dat we van aanbod- naar vraagfinanciering moeten gaan. Het idee van leerrekeningen, learning accounts. Een soort van puntensysteem dat geldt over de loopbaan heen, waarbij de overheid iedereen een bepaald volume aan leerkansen biedt dat publiek gefinancierd wordt. Alles wat daarbuiten valt, betaalt het individu zelf. Wie dus al veel heeft opgenomen in de initiële fase, moet nadien meer betalen dan degenen die in de loop van hun leven inhalen wat ze voordien nog niet hebben opgebruikt.”

Iedereen moet levenslang kunnen leren. Maar dat vergt volgens Van Damme de nodige aandacht van de overheid voor specifieke situaties.

 VAN DAMME: “Met al dat denken over digitalisering en artificiële intelligentie zou het een slecht idee zijn om te vergeten dat er de arbeidsmarkt ook nog altijd een groot aandeel laaggeschoolde jobs omvat. De omvang van zuiver manuele arbeid neemt niet zo snel af als arbeidssociologen twintig of dertig jaar geleden voorspelden. Een belangrijk segment van de arbeidsmarkt, 20 à 25% zelfs, heeft betrekking op mensen met minder verder gevorderde competenties. Het zou een slecht idee zijn om die in het onderwijsbeleid uit het oog te verliezen. We zouden bijvoorbeeld kunnen nadenken over een manier waarop we manuele arbeid rijker kunnen maken, over een manier waarop we ervoor kunnen zorgen dat het geen afstompende arbeid is.

Ook relatief eenvoudige jobs uitdagend maken en houden, is een enorme uitdaging. We zouden ervoor moeten kunnen zorgen dat ook die jobs competentie-ontwikkelend blijven. Maar daar stoten we dan op het feit dat velen een afkeer voor school ontwikkelen en op het gebrek aan leerplezier dat daarvan de oorzaak is. Dat is echt een fundamenteel drama bij ons. Ik denk dat mensen kunnen leren om leerplezier te beleven, maar ons onderwijs is daar nog niet echt op gefocust. Sommigen zijn schoolmoe, maar daarom niet noodzakelijk leermoe. En duaal leren is absoluut belangrijk om mensen te doen leren."

Over de geïnterviewde:
Sinds 2008 is Dirk Van Damme verbonden aan het Directorate for Education and Skills van de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling), eerst als hoofd van het Centre for Educational Research and Innovation (CERI), en momenteel als Senior Counsellor in de Directors’ Office. Dirk Van Damme heeft een academische loopbaan als professor aan de Universiteit Gent, hij gaf tevens les aan de Vrije Universiteit van Brussel, en was gastprofessor aan de Seton Hall University in New Jersey (USA). Hij vervulde tal van functies in het onderwijsveld, zoals algemeen directeur van de Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR) en gedelegeerd bestuurder van het Gemeenschapsonderwijs. Hij was gedurende vele jaren verbonden aan kabinetten van opeenvolgende onderwijsministers en was kabinetschef van Vlaams minister van onderwijs Frank Vandenbroucke.

Was deze informatie nuttig?

Bedankt voor uw feedback!

Auteurs

SYNTRA Vlaanderen