Interview met Patriek Delbaere (OVSG): Over de kansen van duaal leren

An Katrien Sodermans en Bruno Tindemans (SYNTRA Vlaanderen) spraken met Patriek Delbaere, algemeen directeur van de Onderwijsvereniging van Steden en Gemeenten (OVSG). Ze lieten hem een kritische blik werpen op duaal leren, zoals het er nu uitziet. Welke rol ziet hij weggelegd voor duaal leren in het gemeentelijk secundair onderwijs? Welke zijn de sterktes en zwaktes van het huidige systeem? En hoe zou duaal leren dan wel georganiseerd moeten worden? U leest het in dit verslag.

Over de troeven van duaal leren

Patriek Delbaere

DELBAERE: “Voor de leerlingen die instappen, is duaal leren bijzonder motiverend. In het secundair onderwijs komen leerlingen in de problemen doordat ze afhaken, spijbelen en ongekwalificeerd uitstromen. School heeft voor velen een negatieve connotatie. Mensen willen zich zelfs niet meer bijscholen, omdat ze altijd vergelijken met school. Opleiden wordt verbonden met school en school heeft een negatieve connotatie. Duaal leren kan dit allemaal vermijden. Het is een motiverende manier van leren.

De scholen die OVSG verenigt, kennen verhoudingsgewijs een groot aantal leerlingen die instapten in het proefproject duaal leren. Hoewel het gemeentelijk secundair onderwijs slechts 21 000 leerlingen telt (op een totaal van ongeveer 450 000 leerlingen in het secundair onderwijs in Vlaanderen), heeft het 85 leerlingen in duale trajecten (op een totaal van ruim 1000). Delbaere verklaart de relatief grote vertegenwoordiging van duaal leerlingen door het feit dat de OVSG-scholen vooral praktijkgerichte opleidingen aanbieden, die zich gemakkelijk lenen tot een duale invulling.

DELBAERE: “Dat relatief grote aandeel heeft te maken met onze niche. We zitten in die niche van nijverheidsscholen. We hebben bijna uitsluitend beroeps- en technisch onderwijs. De 70 scholen die we hebben, zijn bijna allemaal beroeps- of arbeidsmarktgericht. Zeer uitzonderlijk hebben we in Gent en in Antwerpen ook een ASO-school. Bij de andere netten is het juist andersom: de technische scholen zijn daar in minderheid ten opzichte van ASO-scholen.”

Duaal leren in het secundair onderwijs: over (gemiste) kansen

In Vlaanderen wordt duaal leren vanaf 1 september 2019 uitgerold in het secundair onderwijs. Maar dit is buiten het ASO gerekend. Delbaere betreurt dat duaal leren geen plaats krijgt in het ASO.

DELBAERE: “Het is een gemiste kans dat duaal leren geen ingang vindt in het ASO. Duaal leren moet een sterk merk worden. We zijn altijd al bezorgd geweest om meer praktijk en stage in te brengen in het klassieke model van doorstroomgericht onderwijs. Ook dat onderwijs heeft nood aan duaal leren.”

Het feit dat duaal leren geen ingang vindt in het ASO, heeft volgens hem een aantal verklaringen. In de eerst plaats heerst er binnen het onderwijs soms nog een argwanende houding ten aanzien van duaal leren, omdat het een vorm van leren is die ook buiten de muren van de school plaatsvindt.

DELBAERE: “Ik ervaar ook in mijn eigen organisatie dat zelfs mensen die het goed menen met duaal leren, het als een soort van koekoeksei zien dat in het onderwijs gelegd wordt. Duaal leren impliceert dat een heel stuk van het secundair onderwijs uitbesteed wordt. Men organiseert niet meer vanuit een school, en dat roept weerstand op. Ons onderwijs is historisch ook uitgegroeid tot een sterk opgebouwd secundair onderwijs met nijverheidsscholen, waardoor duaal leren als minder noodzakelijk gezien wordt. Vaak word gesteld dat alles zoveel mogelijk in een schoolse context moet aangereikt worden. Dat is een defensief argument, dat niet altijd steek houdt. In andere landen is duaal leren historisch veel sterker ingebed.”

Een tweede verklaring voor het feit dat duaal leren geen ingang vindt in het ASO, heeft volgens Delbaere te maken met het imago van duaal leren: het imago van een geactualiseerde vorm van leren die bestemd is voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs (DBSO). Dit zorgt voor een vicieuze cirkel: duaal leren lijkt voorbehouden voor DBSO en vindt dus geen ingang in het ASO, en doordat het geen ingang vindt in het ASO, blijft het een eerder zwak imago hebben.

DELBAERE: “We moeten vermijden dat duaal leren te kampen krijgt met een imagoprobleem. Het dreigt in de praktijk gebruikt te worden voor degenen die niet in het reguliere systeem meekunnen. Dat blijkt ook uit het profiel van onze leerlingen die aan de proeftuinen deelnamen. De helft komt misschien uit de groep die we eigenlijk niet moeten meenemen, want die maken het bijzonder moeilijk om het bedrijfsleven te overtuigen van duaal leren. Dat duaal leren vooral voor die leerlingen gebruikt wordt, is nochtans gebaseerd op een totaal foute redenering. Duaal leren mag geen aanbouw zijn van een watervalsysteem in het onderwijs. Het is een totaal ander systeem om onderwijs vorm te geven. Vandaar dat ik het ook betreur dat er vandaag in de proefprojecten geen ruimte is voor doorstroomgerichte opleidingen. Als we ons spiegelen aan andere landen die het goed doen, dan moet duaal leren een sterk merk worden. We moeten meer mensen bereiken, ook in de breedte. Niet alleen kwantitatief, maar ook kwalitatief.”

Duaal leren waarmaken: inspiratie voor het beleid

Delbaere gelooft in duaal leren, maar het kan volgens hem niet slagen zonder een doordacht beleid.

DELBAERE: “We hebben maar één kans om duaal leren te doen slagen en die moeten we grijpen. We moeten af van de negatieve perceptie dat duaal leren op het einde van de waterval komt. Ook op de leerlingen zelf en hun ouders moeten we inspelen: duaal leren moet juist gepositioneerd worden. Duaal leren staat echt sterk bij ons, maar we houden het vaak te theoretisch. Is duaal leren voldoende bekend bij ouders en bij leerlingen? We moeten de meerwaarde en het belang van duaal leren benadrukken. We moeten het op de juiste manier in de markt zetten. Buitenlandse voorbeelden moeten ons hierbij inspireren. Hoe hebben ze dat gerealiseerd? Welke stappen kunnen we zetten om dat te doen? Dat vergt een inspanning op beleidsniveau, maar ook bij de onderwijsverstrekkers. Want anders blijven we in een duaal systeem zitten dat, met alle respect, een veredeld stagesysteem is. Als ik het vergelijk met het duale systeem waar we ons aan spiegelen, dan zijn we er eigenlijk nog niet. We moeten opletten dat we niet snel een decreet uitrollen dat vooral aandacht geeft aan die groepen waarvoor het duale systeem eigenlijk niet gepast is.”

Het probleem is ook dat we in het huidige duaal leren in een beperkte vijver aan het vissen zijn, en niet zien dat er aan de overkant veel meer mogelijkheid is. Dat veronderstelt engagement en inzicht, wat vandaag – op een aantal uitzonderingen na – ontbreekt. Er is geen engagement, geen politieke wil, geen leiderschap. Iedereen heeft een andere agenda. We moeten eerst een ‘coalitie van de willing’ creëren, een coalitie die echt vooruit wil gaan en die perspectief heeft. Over de verzekering en vakantieregeling in het kader van duaal leren is heel wat heen en weer gedebatteerd tussen  onderwijsverstrekkers en beroepenveld. We hebben beleidsmatig geen horizon waar we naartoe willen. Of we zijn het niet eens over deze horizon. Men kan ook geen afstand doen van de eigen denkpatronen. Bijvoorbeeld, in het onderwijs worden jongeren vaak nog betutteld, terwijl ze op andere terreinen behandeld worden als jongvolwassenen die wél een aantal eigen keuzes kunnen maken.

Als we het onderwijs willen laten evolueren naar een ander model, dan gaat dat niet in één ruk. Het zou geleidelijk moeten gebeuren. We moeten het in elk geval meer tijd geven. Ik begrijp wel dat een regering maar 5 jaar de tijd heeft, maar ik denk dat we voor duaal leren meer tijd moeten nemen, met de tanker die onderwijs is. Misschien moeten we proberen om een proeftraject op te zetten dat wel verder gaat dat hetgeen nu decretaal werd bereikt. Een bottom-up benadering, waarbij we vragen naar een soort gedoogruimte waarin we een aantal zaken uitproberen met bedrijven of met sectoren die dat ook willen en kunnen.”

Enkele praktische kanttekeningen bij duaal leren

De slaagkansen van duaal leren hangen volgens Delbaere niet alleen af van het beleid, maar ook van enkele (vaak met het beleid samenhangende) praktische randvoorwaarden. In de eerste plaats hebben onderwijsverstrekkers nood aan financiële middelen om duaal leren te organiseren.

DELBAERE: “De middelen ontbreken. We moeten het doen met de middelen die we hebben. En als we dan een duaal traject moeten lopen voor maar enkele leerlingen in een school, dan zitten we met een probleem. Als we duaal leren niet voor een bepaalde massa kunnen invoeren, dan is het volgens mij ook niet economisch rendabel. Ook niet voor de school. De school is op een bepaald moment ook een bedrijf met een bedrijfsmatige redenering. Men moet mensen vrijmaken voor duaal leren, maar dat betekent dat die elders minder ingezet kunnen worden. Het zijn dergelijke praktische dingen die scholen al dan niet doen instappen.” 

Delbaere wijst ook op het gebrek aan geschikt personeel binnen de onderwijsinstellingen om duale leerlingen te begeleiden.

DELBAERE: “Heel veel scholen hebben leerkrachten die opgeleid en getraind zijn en perfect aan kennisoverdracht doen. We zijn er goed in. Maar er is ook nood aan profielen om de brug te maken van school naar bedrijf.”

Hij voegt daaraan toe dat het voor onderwijsinstellingen niet steeds eenvoudig is om ondernemingen te vinden die de werkplekcomponent van de duale opleiding op zich willen nemen.

DELBAERE: “Voor de scholen is het moeilijk om kwaliteitsvolle werkplekken te vinden die dan een zekere continuïteit krijgen door de jaren heen. Er zijn scholen die willen, maar die niet altijd een partner vinden. Bijvoorbeeld, in Antwerpen, dat toch bij uitstek de economische metropool van Vlaanderen is. Waarom vinden we daar dan geen aansluiting met het bedrijfsleven dat in Antwerpen massaal aanwezig is? Een bijkomend probleem is dat er snel concurrentie ontstaat tussen scholen rond goede werkplekken, want goede werkplekken zijn schaars. Wie een onderneming heeft binnengehaald, wil die niet afgeven aan een andere school. Het landschap van ondernemingen is ook heel ingewikkeld, sectoraal bekeken. Het grote aantal sectorfederaties is misschien wel nodig, want elke sector zit anders in elkaar, maar dat is wel een handicap voor onderwijs. We kunnen onze relaties met de sectoren niet optimaal managen omdat we daarvoor te weinig personeel hebben. De duurzaamheid van de werkplekken is ook een mogelijk probleem: in grote bedrijven zijn - denk ik - veel meer mogelijkheden voor duaal leren door de massa en door de omkadering die dergelijke bedrijven kunnen geven. Toch zijn en blijven we in grote mate een kmo-land. Duaal leren behoeft een verzekerd aanbod aan plaatsen, en kmo’s kunnen dit niet altijd garanderen. Nochtans zijn er in andere landen ook duale leerlingen in kmo’s. Die ondernemingen hebben daar dus ook een absorptievermogen, dus we moeten kijken hoe die landen het aanpakken.”

Een andere kanttekening heeft betrekking op de – naar zijn mening vaak te korte - uitvoeringstermijn waarover de scholen beschikken om de beslissingen uit te voeren die verbonden zijn aan duaal leren.

DELBAERE: “Men vergeet soms dat er niet alleen het beleidsmatige werk is, maar dat er ook een uitvoeringstermijn moet gegeven worden die realistisch moet zijn. Als het niet realistisch is, dan haken de scholen af.  De uitrol moet snel gebeuren, maar de nodige informatie sijpelt maar traag tot bij ons door. Een schooljaar organiseren, dat betekent dat we het schooljaar ervoor het plaatje al helemaal moeten kennen. We moeten de ouders kunnen informeren en de school in het geheel organiseren. Dat vergt op zich zeker 6 tot 8 maanden, en die zijn er niet altijd geweest binnen de projecten rond duaal leren.”

Ambitie om te slagen

Delbaere sluit af met te benadrukken hoe belangrijk hij duaal leren vindt. Hij gelooft rotsvast dat het ingang kan vinden en tot positieve resultaten kan leiden, maar dan moeten wel enkele obstakels – zoals hierboven vermeld – verholpen worden. Maar duaal leren is de strijd waard.

DELBAERE: “Ofwel is dit een droom die we willen realiseren, ofwel stappen we ervan af. Ik vind persoonlijk dat we die ambitie moeten hebben. Het is toch ook de ambitie van Vlaanderen om tot de top te behoren in Europa?”

Was deze informatie nuttig?

Bedankt voor uw feedback!