Duaal leren bekeken door een juridische bril. Meer dan een masterproefonderzoek waard

In mei 2020 leverde ik mijn masterproef af: “Duaal leren bekeken door een sociaalrechtelijke bril. Een blik op verleden, heden en toekomst.”. Deze vormt het eindpunt van de kritische blik die ik twee jaar lang wierp op de bestaande arbeidsrechtelijke omkadering van duaal leren. De juridische bril biedt een unieke invalshoek waarvoor het bestaande socio-economische onderzoeksmateriaal als opstap werd gebruikt. Onder andere de waardevolle ervaringen van de jongeren, trajectbegeleiders en mentoren in de proeftuinen “Schoolbank op de werkplek” dienden als input om de knelpunten in de wetgeving bloot te leggen.1 

  • 1. N. CLYCQ, W. NOUWEN e.a., Duaal Leren op Proef. Evaluatiestudie van de proeftuinen ‘Schoolbank op de Werkplek’. Eindrapport., data-onderwijs.vlaanderen.be/onderwijsonderzoek/?nr=381., 2020, 87.

Vier punten van het bestaande statuut werden onder de loep genomen: de arbeidsduur, de leervergoeding, het welzijn van de jongere en de bestaande vakantieregeling. Hiervoor hebben SYNTRA Vlaanderen, het kabinet werk van minister Crevits, de VLOR en de SERV hun visie weergegeven tijdens een diepte-interview. Het gaat om een kritische doorlichting, maar er wordt ook gezocht naar oplossingen. Duaal leren werkt, maar het statuut van de jongere verdient nog wat verfijning. Tot slot werd ook over de landsgrenzen heen inspiratie gezocht door een blik te werpen op enkele Europese rechtsstelsels zoals Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Oostenrijk. Het onderzoek werd in vijf lessen voor de toekomst gegoten om van duaal leren ook op juridisch vlak een succesverhaal te maken.

Duaal leren doorgelicht: 5 handvaten voor de toekomstige wetgever

1. De SAO en OAO: een nuttig en/of noodzakelijk onderscheid?

Zonder rekening te houden met de uitzonderingsgevallen waarbij een deeltijdse arbeidsovereenkomst wordt gebruikt, sluiten de opleidingsverstrekker, onderneming en duale jongere een stageovereenkomst alternerende opleiding (SAO) of een overeenkomst alternerende opleiding (OAO) afhankelijk van het aantal uren op de werkplek. Waar het verschil tussen beide overeenkomsten scherp werd gesteld in het oorspronkelijke ontwerp van decreet, brokkelt deze scheidingslijn meer en meer af.1 Onder andere de regeling met betrekking tot arbeidsongevallen, vakantiewerk en schoolvakanties werd reeds gelijk getrokken. Tussen beide overeenkomsten blijven nog twee duidelijke verschillen overeind.  Ten eerste valt enkel de overeenkomst alternerende opleiding onder de federale definitie “alternerend leren” wat gevolgen heeft voor de toepassing van de RSZ-wetgeving. Ten tweede ontvangen enkel jongeren die per week gemiddeld 20 uur of meer op de werkplek aanwezig zijn, een leervergoeding. De twee overeenkomsten vormen een consensus tussen alle verschillende partijen die aan tafel zaten bij het ontwerp van decreet. Toch hebben enkele geïnterviewden nog steeds een twijfelende houding over het nut van het bestaan van beide types overeenkomsten. Is het anno 2020 nog noodzakelijk om beide overeenkomsten tegelijkertijd te hanteren? Daarnaast schuilt een ander gevaar om de hoek: het gebrek aan onderscheid tussen de SAO en reguliere stage. Scholen verkiezen stages omdat de administratieve belasting lager ligt. Hierdoor wordt echter de meerwaarde van duaal leren miskend. In de toekomst zal het wetgevend niveau moeten kiezen. Ofwel dient men de overeenkomsten duidelijker af te bakenen zodat de verschillen en gelijkenissen tussen de OAO en de SAO helder worden en ook het verschil met de reguliere stage zichtbaar wordt. Ofwel, en dat is de andere mogelijkheid, kan de stageovereenkomst alternerende opleiding geschrapt worden en gekozen worden voor een duidelijke opdeling tussen een duale opleiding gesloten met een OAO en de stage. De stageovereenkomst alternerende opleiding wordt in die hypothese geschrapt.

  • 1. Ontwerp van decreet tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen van 13 mei 2016, Parl.St. Vl.Parl. 2015-2016, nr. 772/1, 54-55.

2. Versterk de communicatie tussen federaal en regionaal niveau

Enkele knelpunten in de wetgeving vinden hun oorsprong in de bestaande staatsstructuur. Men zou kunnen stellen dat de bestaande bevoegdheidsverdeling een rem plaatst op de goede werking van duaal leren. Wie welke bevoegdheid heeft, is ook op wetgevend niveau soms onduidelijk. Duaal leren brengt als nieuwe leervorm uitdagingen met zich mee. De bestaande bevoegdheidsverdeling legt eerder de nadruk op verdeling dan op intracommunautaire samenwerking. Onder andere over de verzekeringsplicht van de leerlingen, de nadelige gevolgen van de leervergoeding op het leefloon van de jongere (en zijn/haar ouders) en de nood aan vakantiewerk lijkt een vlotte communicatie zoek.1 De problemen werden aangehaald op regionaal niveau maar kregen (nog) geen gehoor op federaal niveau. Een versterkte samenwerking tussen beide niveaus zou tot minder ongewenste gevolgen voor de jongere, onderneming of opleidingsverstrekker kunnen leiden.

  • 1. Ontwerp van decreet betreffende duaal leren en de aanloopfase van 9 februari 2018, Parl.St. Vl.Parl. 2017- 2018, nr. 1478/1, 21 j° VLAAMS PARTNERSCHAP DUAAL LEREN, Jaarrapport 2018-2019, www.syntravlaanderen.be/sites/default/files/atoms/files/JVP_20182019.pdf, 2019, 64.

3. Duaal leren: niet geschikt voor iedere jongere, niet geschikt voor iedere opleiding

Duaal leren is geen vlag die iedere lading dekt. Enkel arbeidsrijpe jongeren kunnen starten met een duale opleiding. Arbeidsbereide maar nog niet arbeidsrijpe jongeren horen in een ondersteunende schoolomgeving thuis. Daarnaast moet meer aandacht besteed worden aan welzijn op het werk voor de duale jongere. De wetgeving betreffende arbeidstijd en arbeidsveiligheid blijkt in de praktijk vaak moeilijk te hanteren. De betrokken actoren merkten op dat het soms omwille van praktische redenen moeilijk is de wetgeving nauwkeurig na te leven, maar dat jongeren wel moeten beseffen hoe belangrijk het is om de regels met betrekking tot de arbeidsveiligheid te volgen. Plaats jezelf eens in de schoenen van een 16-jarige: op die leeftijd is het soms niet gemakkelijk om voor jezelf op te komen. Daarnaast durven scholen vaak niet reageren omdat ze hun band met de onderneming niet op het spel willen zetten.1 Wie zorgt dan wel voor de nodige bescherming? Het Vlaams Partnerschap duaal leren of het sectoraal partnerschap in kwestie zouden systematisch een plaatsbezoek kunnen brengen wanneer zij beslissen over de erkenning van de werkplek. Daarnaast kan ook een sectorale aanpak zijn vruchten afwerpen.

Om duaal leren neer te zetten als sterk merk, is ook een duidelijke afbakening nodig wat betreft de geschikte opleidingen. Er is immers nood aan voldoende uren kunnen leren op de werkplek. Binnen een Europese context ligt het minimaal aantal uren in Vlaanderen eerder aan de lage kant.2 Duaal leren heeft als meerwaarde dat ook de vaardigheden worden aangeleerd in de praktijk en niet alleen toegepast, zoals bij een reguliere stage. Voor het aanleren van vaardigheden moet voldoende tijd worden uitgetrokken. Opleidingen waar dit niet lukt, horen volgens enkele geïnterviewden thuis binnen een traject met een reguliere stage. Daarnaast moet ook een verschil blijven bestaan tussen de reguliere stage en de stageovereenkomst alternerende opleiding. Doorheen de diepte-interviews gingen stemmen op om enkel opleidingen duaal aan te bieden waarvoor voldoende tijd op de werkplek kan vrijgemaakt worden.

  • 1. De moeilijke afweging van de belangen van een school werd aangehaald door verschillende actoren in de diepte-interviews.
  • 2. S. BAERT, K. DE RICK e.a., “Duaal leren in Vlaanderen: kansen en gevaren.”, Skibris, 2019, Gent, 24-26.

4. Creëer duaal leren op maat van het Vlaamse ondernemerslandschap

België telt 95% KMO’s. Dit staat in schril contrast met andere landen zoals Duitsland waar multinationals het ondernemerslandschap domineren. In de wetgeving kan meer ingespeeld worden op het unieke ondernemerslandschap. Anno 2020 worden de incentives toegekend ongeacht grootte of sector van de onderneming. Er ontbreekt een aanpak gericht op de specifieke noden van KMO’s.1Zelfstandigen met een eenmanszaak kunnen niet rekenen op de mentorkorting, hoewel zij nochtans een belangrijk gedeelte uitmaken van het bestaande ondernemerslandschap.2 Daarnaast geldt voor iedere steunmaatregel een andere aanvraagprocedure waardoor sommige ondernemingen ontmoedigd kunnen worden om deze aan te vragen.

  • 1. Ibid, 22-23.
  • 2. Ibid, 24 j° V. DEKOCKER, “Klaar voor duaal? Hoe werkgevers stimuleren om mee te stappen in duaal leren?”, Over Werk.Tijdschrift van het Steunpunt Werk, Acco, 2016, afl.2, 91.

Naast het financiële luik is er ook vraag naar meer flexibiliteit vanuit de KMO’s. Minder tijd en minder middelen leiden tot een vraag naar samenwerkingsvormen. Daarvoor vindt men in Vlaanderen al enkele best practices, maar voor die praktijken bestaat nog geen wettelijk kader. Roteren tussen ondernemingen vormt een mogelijkheid, maar niet voor iedere onderneming is roteren geschikt. Daarom kiest Duitsland ervoor om 4 mogelijke samenwerkingsvormen aanbieden die verschillen naargelang de intensiteit. Dit gaat van het occasioneel betrekken van een onderneming voor het aanleren van bepaalde vaardigheden tot het sluiten van een samenwerkingsovereenkomst waarbij een overkoepelend orgaan het roteren tussen verschillende ondernemingen in goede banen leidt. Op die manier kan op maat van de onderneming naar een mogelijke samenwerking gezocht worden binnen een degelijk uitgewerkt wettelijk kader.

5. Investeer in het potentieel op sectoraal niveau

Het sectoraal niveau wordt reeds betrokken bij duaal leren door de sectorale partnerschappen een aantal bevoegdheden te laten opnemen, maar er zit meer potentieel in. Een sectorale aanpak lijkt omwille van verschillende redenen aangewezen. Ten eerste streven de bestaande financiële incentives naar uniformiteit ongeacht de sector waar de onderneming zich in bevindt. De financiële incentives gedeeltelijk in sectorale handen geven, zorgt ervoor dat er op sectorniveau bepaalde initiatieven worden genomen. Zo bestaat in Oostenrijk de “BAUAkademien”, een sectoraal opleidingscentrum dat bepaalde vaardigheden aanleert indien de ondernemingen niet over het juiste materiaal beschikken.1 De financiering ook gedeeltelijk in sectorale handen geven, zorgt ervoor dat een meer op maat gerichte aanpak kan ontstaan. Ten tweede blijkt uit onderzoek en ervaringen in de praktijk dat het wettelijk kader rond arbeidsomstandigheden en arbeidstijd onvoldoende wordt gerespecteerd. De inzet van sectorconsulenten voor de nodige sensibilisering op de werkplek zou ook de afstand tussen de praktijk en regelgeving kunnen verkleinen.

  • 1. DONOR COMMITTEE FOR DUAL VOCATIONAL EDUCATION AND TRAINING, Companies Engaging in Dual VET: do financial incentives matter?, www.dcdualvet.org/wp-content/uploads/DC-dVET_Discussion-Note-Financial- Incentives.pdf, 2019,12.

Duaal leren, een springplank naar levenslang leren?

Tot slot kijk ik in mijn masterproef met ambitieuze blik naar de toekomst. Hoewel het statuut van de jongere op sommige vlakken nog wat verfijning verdient, kan men niet anders dan de meerwaarde van duaal leren onderstrepen. Duaal leren kan mogelijk de sleutel bieden voor een vernieuwde aanpak omtrent levenslang leren. Vlaanderen is een slechte leerling in de Europese klas wat betreft levenslang leren. Voornamelijk laaggeschoolden vinden de weg naar een opleiding niet. Om levenslang leren als gewoonte te creëren, is er nood aan een ondersteunende financiering in combinatie met een degelijk statuut. Voor de financiering lijkt een leerrekening, een virtuele rekening waarover een burger zelfbeschikkingsrecht heeft tot aan zijn pensioen, alvast een stap in de goede richting.

Daarnaast moet ook nagedacht worden over het statuut. Wat gebeurt immers met de opgebouwde sociale rechten? Wat met een bestaande arbeidsovereenkomst of aanstelling? Kan men al deze statuten verenigen ondanks de verschillende rechten en verplichtingen? Al deze vragen zal ik diepgaander onderzoeken in een doctoraat waarin komende jaren de zoektocht naar een passend arbeidsrechtelijk kader rond levenslang leren centraal zal staan. Wordt ongetwijfeld vervolgd.

Lees hier de volledige masterproef

masterproef

- masterproef_floreclaus.pdf
1.80 MB

Was deze informatie nuttig?

Bedankt voor uw feedback!

Auteurs

Recente blogberichten