Duaal leren, een versterking van het leerpotentieel?

Vanaf het schooljaar 2016-2017 vonden tijdens drie opeenvolgende schooljaren de proeftuinen Schoolbank op de Werkplek plaats. In het kader van die proeftuinen werd het volledige concept van duaal leren toegepast bij een selectie van aanbieders (opleidingsverstrekkers). Onderzoekers van de Universiteit Antwerpen voerden een evaluatieonderzoek uit, dat erop gericht was om op basis van de proeftuinen wetenschappelijk gefundeerde besluiten te trekken met het oog op de verdere implementatie van duaal leren in het Vlaamse onderwijs. De beleidsevaluatie is gestructureerd rond vier centrale beleidsintenties bij de implementatie van duaal leren. Voor elk van deze beleidsintenties onderzochten we de mate waarin de proeftuinen erin slaagden aan deze algemene doelstellingen te voldoen. We formuleerden ook beleidsaanbevelingen ten aanzien van de concrete bouwstenen van duaal leren. Deze algemene beleidsintenties waren de volgende:

  • Een opwaardering van alternerende opleidingen
  • Een versterking van het leerpotentieel
  • Een verhoging van de gekwalificeerde uitstroom
  • Een verbetering van de aansluiting met de arbeidsmarkt

In deze bijdrage kozen we ervoor ons te concentreren op de beleidsdoelstelling van het verhogen van het leerpotentieel via een duale leerweg. We hebben hierbij specifieke aandacht voor randvoorwaarden in het versterken van de leermotivatie en betrokkenheid van duale leerlingen. Voor de bevindingen en aanbevelingen ten aanzien van de andere centrale beleidsdoelstellingen verwijzen we de lezer graag door naar het eindrapport van de evaluatiestudie.

Een versterking van het leerpotentieel via een duale leerweg?

Tijdens de interviews met leerlingen, schoolpersoneel en mentoren waren de respondenten het er doorgaans over eens dat duaal leren extra leerkansen biedt. Ook de surveybevragingen van leerlingen toonden consistent aan dat duale leerlingen in vergelijking met leerlingen uit de niet-duale referentieopleidingen:

  • zich beter ondersteund voelen door leerkrachten, mentor en collega’s;
  • meer complexe en relevante taken uitvoeren op de werkplek;
  • zich meer verbonden voelen met hun aanbieder, opleiding en werkplek;
  • meer autonoom gemotiveerd zijn in het werkplekleren;
  • zich meer competent voelen ten aanzien van het werkplekleren;
  • zich meer emotioneel betrokken voelen op het werkplekleren.

Duale leerlingen verschillen echter niet op vlak van autonome motivatie voor en betrokkenheid in de schoolcomponent. Dit deed ons besluiten dat het niet een verhaal is van gemotiveerd/betrokken zijn in werkplek-/of in schools leren maar eerder een en-/en-verhaal. Ook de interviews met de betrokken actoren in de proeftuinen wezen op een positieve spillover van leerkansen en -motivatie van de werkplek- naar de schoolcomponent. 

Bij schoolpersoneelsleden bestaat er echter ook bezorgdheid over de mate waarin er tijdens het werkplekleren ruimte kan gemaakt worden voor algemene en meer theoretische vorming. De bevraagde werkgevers en mentoren stelden veelal dat de basisvorming best door de aanbieder wordt georganiseerd, hetgeen het leerpotentieel van het werkplekleren zo ook ten goede zou komen. De grote verscheidenheid aan leerkansen die leerlingen ervaren op de werkplekken, biedt de vakleerkracht aanknopingspunten voor leerkansen in de schoolcomponent, maar verhoogt daarnaast de differentiatiedruk in de klas. Schoolpersoneelsleden rapporteerden hierover dan ook bezorgdheid, zeker wanneer de klasgroepen van duale opleidingen verder groeien en deze groei onvoldoende extra middelen genereert.

Verschillende actoren gaven verder te kennen dat het leerpotentieel van het werkplekleren staat of valt met de kwaliteit van de werkplekken, zowel voor wat de begeleiding als de leerkansen betreft. De geboden leerkansen op de werkplek dienen de competenties in het standaardtraject voldoende te dekken. Waar er hiaten aanwezig zijn bij de dekking van het standaardtraject, dient de aanbieder erop toe te zien dat er alternatieve leerkansen geboden worden. Specifiek voor de trajectbegeleiding toonden de resultaten aan dat een duidelijke communicatie en intensieve opvolging van de leerdoelen, alsook het inzetten van vakleerkrachten als trajectbegeleiders bevorderlijk zijn voor het leerpotentieel van het werkplekleren. Om bij de verdere implementatie van duaal leren het leerpotentieel van het werkplekleren te blijven garanderen, stellen we de volgende beleidsaanbevelingen voor:

  • Aangezien een groot aandeel van de tijd die leerlingen wekelijks spenderen aan leren, verschuift van de aanbieder naar de werkplek, dient erop te worden toegezien dat leerlingen voldoende algemene en theoretische vorming genieten. Ondernemingen kunnen hierin verder ondersteund worden door aanbieders en sectorale vormingen.
  • Om voldoende leerpotentieel te kunnen garanderen, adviseren we de overheid om toe te zien op de kwaliteit van de werkplekken en trajectbegeleiding. De dekking van het standaardtraject verdient de nodige aandacht bij de initiële erkenningsaanvraag van de leeronderneming, alsook bij de afspraken die aanbieders en leerondernemingen maken over het individuele opleidingsplan. In de geïntegreerde kwaliteitsbewaking van duale opleidingen verdienen verder de vakbekwaamheid van de trajectbegeleider, alsook de formulering, communicatie en opvolging van de leerdoelen speciale aandacht.
  • Gezien de drempels voor de rotatie tussen meerdere leerondernemingen, pleiten we ervoor om de rotatie tussen werkplekken voornamelijk te stimuleren en te ondersteunen wanneer er een duidelijke complementariteit aan leerkansen aantoonbaar is. Hierbij kan, bijvoorbeeld, gewerkt worden aan een doorschuifregeling waarbij elke onderneming de kans krijgt kennis te maken met de talenten van meerdere leerlingen. Daarnaast kunnen andere goede praktijken van minder ingrijpende uitwisseling van werkplekervaringen worden verspreid (bv. via bedrijfsbezoeken of leerkansen in sectorale of VDAB-vormingscentra).
  • Om tegemoet te komen aan de verhoogde differentiatiedruk binnen duale klasgroepen, adviseren we de overheid om voldoende middelen te voorzien voor de omkadering van het schoolpersoneel. We adviseren de overheid en lokale overlegfora daarnaast om alert te zijn voor het risico van een te grote versnippering van deze middelen en expertise over te veel lokale aanbieders van éénzelfde duale opleiding.

Het ondersteunen en verder professionaliseren van de trajectbegeleiding en het mentorschap

Trajectbegeleiders en mentoren hebben een cruciale faciliterende rol in het leerpotentieel van een duale leerweg. Op basis van het evaluatieonderzoek kunnen we concluderen dat drie aspecten van belang zijn om de rol van trajectbegeleider en mentor adequaat te vervullen: de toewijzing van wie deze rollen opneemt, de ondersteuning en middelen die men ter beschikking krijgt om deze rol te vervullen en de verdere professionalisering aan de hand van opleidingen en lerende netwerken.

Voor wat de toewijzing van de rol van trajectbegeleider en de mentor betreft tonen de onderzoeksresultaten aan dat de vakinhoudelijke begeleiding en communicatie met de onderneming gefaciliteerd wordt, wanneer een vakleerkracht de rol van trajectbegeleider opneemt. Bij het aanduiden van een mentor, is een duidelijke taakverdeling cruciaal. Daarnaast zijn voor het mentorschap maturiteit en vakbekwaamheid – maar ook de stijl van coaching – cruciale componenten om in rekening te brengen.

Naast de toewijzing van wie de rol als trajectbegeleider en mentor vervult, kunnen de beschikbare ondersteuning en middelen het invullen van de rol als trajectbegeleider of mentor sterk beïnvloeden. Op basis van het onderzoek kunnen we besluiten dat trajectbegeleiders nood hebben aan meer administratieve ondersteuning. Bovendien wijzen ze daarnaast op het belang van voldoende uren om het afleggen van werkplekbezoeken mogelijk te maken/houden. Voor de ondersteuning van trajectbegeleiders formuleren we volgende beleidsaanbevelingen:

  • Een betere ondersteuning bieden aan trajectbegeleiders voor de uitvoering van administratieve taken aan de hand van 1) toegankelijke informatie- en ondersteuningskanalen en 2) gespecialiseerd ondersteunend administratief personeel.
  • Voldoende tijd en middelen voorzien voor trajectbegeleiders om hen in de mogelijkheid te stellen om voldoende frequente en kwaliteitsvolle werkplekbezoeken uit te voeren, in het bijzonder wanneer de klasgroepen van duale opleidingen groter worden.
  • We moedigen de verdere ontwikkeling en verspreiding van digitale instrumenten voor de vakinhoudelijke begeleiding en evaluatie van leerlingen aan, aangezien deze de vakinhoudelijke opvolging door trajectbegeleiders en mentoren kunnen vereenvoudigen.
  • We adviseren de overheid, onderwijsverstrekkers en sectorale organisaties om te blijven investeren in de ontwikkeling en verspreiding van gelijkvormige evaluatie-instrumenten bij aanbieders. Dit kan zorgen voor meer duidelijkheid en minder belasting bij het evalueren van leerlingen van verschillende aanbieders.

Ten slotte zijn de mogelijkheden tot en participatie in verdere professionalisering van centraal belang. Het opleidingsaanbod voor trajectbegeleiders en mentoren vervult hierbij een belangrijke rol. Respondenten die participeerden aan de bestaande opleidingen, ervaarden deze opleiding meestal als een meerwaarde voor het invullen van hun rol. Daarnaast kunnen we op basis van het onderzoek besluiten dat de evaluatiecomponent meer aandacht verdient binnen deze opleidingen. Naast formele opleidingen vormen lerende netwerken tussen aanbieders, ondernemingen en sectorale vormingsinstanties een cruciale vorm van professionalisering van trajectbegeleiders en mentoren. De aanwezigheid van deze lerende netwerken – voor onder andere de praktijkvertaling van de standaardtrajecten, de ontwikkeling van evaluatietools, … – verschilt sterk overheen de onderzochte duale opleidingen, maar bij actieve participatie werden ze door de meerderheid van de bevraagde actoren erg gewaardeerd. Om te voorzien in de verdere professionalisering van trajectbegeleiders en mentoren, stellen we dan ook de volgende beleidsaanbevelingen voor:

  • Bij de initiële en verdere professionalisering van vakleerkrachten en trajectbegeleiders adviseren we om voldoende aandacht te besteden aan (formatieve) evaluatie, en meer specifiek: 1) een duidelijke communicatie van leerdoelstellingen; 2) de leerling actief te betrekken bij tussentijdse evaluatiemomenten; en 3) resultaten van tussentijdse evaluaties goed te documenteren.
  • Binnen de mentoropleidingen zet men best nog meer in op het aanreiken van handvaten voor het evalueren van de leerling, de sociaalemotionele ondersteuning van leerlingen op de werkplek en de motivatiestijl in de begeleiding van de leerling.
  • We adviseren de overheid, onderwijsverstrekkers en sectorale vormingsorganisaties om de kruisbestuiving tussen aanbieders en ondernemingen te blijven stimuleren, bijvoorbeeld via het ondersteunen van netwerk- en intervisiemomenten voor trajectbegeleiders en mentoren.

Was deze informatie nuttig?

Bedankt voor uw feedback!