Een leerweg op maat, ook voor jongeren die niet in duaal leren starten

Na 3 jaar piloteren is duaal leren officieel gestart op 1 september 2019. Duaal leren beoogt jongeren te bereiken die door een combinatie van leren op school en bij een werkgever eenzelfde kwalificatie behalen als in het voltijds secundair onderwijs. Voorwaarde om aan duaal leren deel te nemen is dat de leerling bereid is om te leren en te participeren op de werkplek.  Niet alle jongeren die in de huidige systemen met een doorgedreven vorm van werkplekleren leren, komen hier dus voor in aanmerking. Zonder dat harde cijfers voorgelegd kunnen worden, heeft het veld een aanvoelen dat slechts een minderheid van de huidige alternerende leerlingen in duaal leren terecht kan. Bezorgdheden over geschikte trajecten werden reeds geopperd in het advies van de VLOR en het advies dat recent werd afgeleverd vanuit de Vlaamse Scholierenkoepel. Met zijn advies roept de VLOR “beleid én onderwijsinstellingen op om zich voor te bereiden op het uitdoven van leren en werken. Het is immers niet omdat leren en werken uitdooft, dat de doelgroep verdwijnt”.  

Dit hoeft niet tot paniek te leiden. Wel stelt zich de vraag welk aanbod of welke opleidingsmogelijkheden er zijn voor jongeren die (nog) niet tot de doelgroep van duaal leren kunnen worden gerekend. We onderscheiden er twee, op basis van buitenlandse voorbeelden. Vooreerst kan de mogelijkheid gegenereerd worden om binnen het secundair onderwijs een aanbod aan kwalificerende trajecten te installeren die niet binnen een onderwijskwalificerende finaliteit vallen. Daarnaast kan de procedure voor de beroepskwalificaties verder vernieuwd worden. Onderstaande paragrafen beschrijven beide mogelijkheden.

Kwalificerende trajecten

Een onderwijskwalificatie beschrijft wat iemand “moet kennen en kunnen om aan een opleiding te beginnen, zijn of haar plaats te vinden in de maatschappij of een beroep uit te oefenen”.1Een beroepskwalificatie beschrijft wat een iemand moet kennen en kunnen om een beroep uit te oefenen. Er zijn beroepskwalificaties en onderwijskwalificaties op acht kwalificatieniveaus, vastgelegd in de Vlaamse kwalificatiestructuur.2Een eerste optie bestaat erin om het niveau van de beroepskwalificatie los te koppelen van het niveau van de onderwijskwalificatie. In Denemarken zijn er twee soorten programma’s die gebaseerd zijn op dit principe. In een eerste vorm volgt de leerling  eerst een basisprogramma van 21st century skills. Dit wordt gecombineerd met een duaal programma waarbij de leerling leert bij een opleidingsverstrekker en een werkgever, maar de vaardigheden zijn wel op verschillende niveaus. 

Een tweede mogelijkheid bestaat erin dat het deel van de opleidingsverstrekker weggelaten wordt en er enkel geleerd wordt bij een werkgever: een beroepskwalificerend traject zonder onderwijscomponent dus. Toegepast op de Vlaamse context is dit vergelijkbaar met een individuele beroepsopleiding (IBO) voor leerplichtige jongeren.  

Een derde mogelijkheid bestaat in de intensifiëring van een beroepskwalificerend traject: een verhoging van kwalificatieniveau 2 of 3 naar 3 of 4. Uit cijfers over het huidige publiek van ‘leren en werken’ blijkt dat een groot deel van hen moeilijkheden ondervindt met het finaliseren van de algemene vorming. Het traject wordt in dergelijke situaties verlengd tot de leerplichtige leeftijd, en dat door middel van verschillende soorten andere kwalificaties. Gezien de arbeidsmarktkansen evenredig stijgen met het kwalificatieniveau, kan een verhoging ervan een te verkennen piste zijn voor de huidige doelgroep van ‘leren en werken’.

Een vierde mogelijkheid bestaat erin om alternatieve aanbieders ruimer beschikbaar te maken voor jongeren. Een voorbeeld hiervan vinden we terug in Duitsland waar intercompany centres delen van opleidingen op zich nemen, vooral voor KMO’s die zelf niet in staat zijn om het volledige traject aan te bieden. In Oostenrijk worden er training allianties opgericht die - gelijkaardig aan Duitsland - een deel van de opleiding op zich nemen. Bovendien kunnen binnen die allianties ook extra opleidingen gevolgd worden, die verder gaan dan de opleiding waarvoor de lerende is ingeschreven. Die mate van flexibiliteit zou binnen Vlaanderen bijvoorbeeld kunnen worden gegenereerd door opleidingen van de sectorfondsen ook beschikbaar te stellen voor jongeren in het secundair onderwijs.  

  • 1. Omschrijving overgenomen van de website vlaamsekwalificatiestructuur.be.
  • 2. “Elk niveau is vastgelegd op basis van 5 elementen: kennis, vaardigheden, context, autonomie en verantwoordelijkheid”, aldus de toelichting op de website vlaamsekwalificatiestructuur.be.

De opmaak van (Beroeps)kwalificaties

Een tweede piste die oplossingen kan bieden voor de doelgroep, bestaat erin om verder in te gaan op de manier waarop beroepskwalificaties opgemaakt worden.

Beroepskwalificaties worden meestal ingediend door sectororganisaties. Nochtans zijn heel wat competenties cross-sectoraal (zie de 21th century skills) of komen bepaalde beroepen voor in verschillende sectororganisaties. Aanpassingen in de beroepskwalificaties zijn meestal reactief en kunnen de snelheid van veranderingen in de arbeidsmarkt niet altijd volgen. Daardoor is het niet eenvoudig om innovatieve beroepen te integreren en adaptieve opleidingsprogramma’s op te maken. Een eerste mogelijkheid om hieraan tegemoet te komen, houdt in dat de kwalificatie niet volledig wordt overgenomen in een leertraject, zoals nu het geval is. Een optie hierbij zou zijn dat regio- of bedrijfsspecifieke informatie geïntegreerd wordt in de opmaak van kwalificaties en doorvertaald wordt in de opmaak van trajecten. Een andere optie is het stimuleren van andere partijen om in te dienen. Doorgaans vertegenwoordigt een sector een groep van bedrijven met eenzelfde economische activiteit, niet noodzakelijk met eenzelfde competentiebehoefte. 

Figuur 1. Trailblazers: gewenste situatie (eerste afbeelding) en actuele situatie (tweede afbeelding)

In een snelveranderende omgeving zouden - analoog aan het voorbeeld van trailblazers in het Verenigd Koninkrijk - groepen van bedrijven met eenzelfde competentiebehoefte innovatieve en nieuwe kwalificaties kunnen opstellen die de sectorgrenzen overschrijden (zie figuur 1).

Afsluitend

In het kader van levenslang leren, waarbij de alternering tussen werken en leren versnelt en op termijn misschien vervaagt, is het nadenken over andere kwalificerende trajecten noodzakelijk. Hierbij moeten we uitgegaan van het ‘zalmprincipe’. Zoals een zalm tegen de stroom in ‘naar boven’ zwemt, zo moeten ‘klimmende’ studieparcours gefaciliteerd worden. De focus op een zo hoog mogelijk diploma vervalt. Niet langer geldt dan het principe: ‘begin maar zo hoog mogelijk, je kunt nog altijd afzakken’ (watervalsysteem). Leerlingen starten met wat ze kunnen, en kunnen zich doorheen de loopbaan verder kwalificeren. Deze beroepskwalificerende trajecten kunnen zo een motor zijn voor horizontale mobiliteit, nieuwe mogelijkheden en kansen.

Was deze informatie nuttig?

Bedankt voor uw feedback!

Recente blogberichten