Ervaringen van jongeren in alternerende opleidingen in grootsteden

In het voorjaar van 2019 lieten onderzoekers Rut Van Caudenberg en Ward Nouwen (Universiteit Antwerpen) jongeren in alternerende opleidingen aan het woord. Dit deden ze in het kader van een ESF-project “Duaal leren als hefboom voor jeugdwerkgelegenheid in grootsteden”, dat gecoördineerd wordt door SYNTRA Vlaanderen. Bijna 50 jongeren uit Antwerpen, Gent en Brussel kwamen aan het woord en delen hun ervaring.

Introductie

In januari en februari 2019 trokken wij als onderzoekers van de Universiteit Antwerpen (CeMIS – Centrum voor Migratie en Interculturele Studies) naar verschillende centra voor deeltijds onderwijs in Antwerpen, Gent en Brussel. We deden er in het kader van het door SYNTRA Vlaanderen gecoördineerde ESF project Duaal leren als hefboom voor jeugdwerkgelegenheid in grootsteden1 een kwalitatieve, exploratieve bevraging bij jongeren in alternerende (duale en niet-duale) opleidingen. In totaal werden 48 jongeren bevraagd tijdens focusgroepsgesprekken. De respondenten kwamen uit verschillende opleidingen (o.a. logistiek, zorgkundige, onderhoudsmechanica auto, lassen, kinderbegeleiding, brood en banketbakker en haarverzorging), en zaten zowel in duale opleidingen (n=17) als in opleidingen in het huidige deeltijds beroepssecundair onderwijs (DBSO) met (n=14) en zonder (n=17) werkplek. De meerderheid van de bevraagde leerlingen waren jongens (n=29) en meerderjarig (n=38), en een groot deel (n=28) had een 1ste-generatie, 2de-generatie, of gemengde (i.e. één ouder buiten België geboren) migratie-achtergrond.

In deze bijdrage belichten we enkele van de belangrijkste bevindingen. Het is hierbij van belang om het exploratieve karakter van het onderzoek niet uit het oog te verliezen, en gezien de relatief kleine groep bevraagde jongeren geen veralgemenende uitspraken te doen. De 48 bevraagde jongeren maken echter vanop de eerste rij de uitrol van duaal leren binnen grootstedelijke centra voor deeltijds onderwijs mee, en laten ons toe te begrijpen hoe zij dit - als één van de meer kwetsbare doelgroepen van deze nieuwe onderwijsvorm - vanuit hun specifieke situatie en ervaringen beleven. De signalen die we konden opvangen tijdens de gesprekken, kunnen dan ook beschouwd worden als aandachtspunten voor een implementatie van duaal leren als hefboom voor jeugdwerkgelegenheid in een grootstedelijke context waarbij rekening wordt gehouden met de stem van deze kwetsbare doelgroep.

  • 1. Uitgevoerd door Karlien Winnelinckx, SYNTRA Vlaanderen.

Alternerende opleidingen: opportuniteiten en uitdagingen

Hoewel de 48 bevraagde jongeren1 erg diverse onderwijstrajecten hadden afgelegd vooraleer zij in de centra voor deeltijds onderwijs terecht waren gekomen, hechtten ze bijna allemaal een groot belang aan het behalen van een onderwijskwalificatie. In deze context zagen deze jongeren dan ook verschillende opportuniteiten in alternerende opleidingen. Zo merkten sommige leerlingen – voornamelijk deze met een effectieve werkplek – bijvoorbeeld op dat deze onderwijsvorm hen de kans geeft om ervaring op te doen op de werkvloer en zo beter gepositioneerd op de arbeidsmarkt terecht te komen. 

  • 1. Om de anonimiteit van de bevraagde jongeren te waarborgen, zijn de hieronder gebruikte namen niet hun echte namen. 

Daarnaast laat de alternerende opleiding hen toe om eerdere negatieve schoolervaringen om te buigen. Bovendien counterden sommige leerlingen de veelal negatieve perceptie van deeltijds onderwijs als de ‘laatste optie’ van de onderwijswaterval en merken ze dat alternerend leren een grote mate van inzet en zelfstandigheid vereist. Het is niet evident om leren én werken te combineren; iets wat leerlingen uit het voltijds onderwijs niet aan de dag moeten brengen:

- Eigenlijk is voltijds naar school gaan gemakkelijker [lacht]. Allez, niet gemakkelijker, maar ja, je moet alleen naar school gaan.
- Je moet niet gaan werken.
- Gewoon studeren.
- Je bent zo vroeger thuis dan ook. … We zijn soms 12 uur onderweg, weet je wel? Dat is thuiskomen, terug eten, douchen, slapen,...
Charlotte, Els en Merel
leerlingen duaal

Het continu switchen tussen de school en de werkplek brengt anderzijds ook uitdagingen mee. Zo stelden enkele leerlingen dat het steeds weer aanpassen is als ze na enkele dagen van leren op de werkplek terug naar school komen. Ook vinden ze het niet altijd eenvoudig om de verschillende uurroosters (school vs. werkplek) te combineren en om te gaan met soms onregelmatige (over)uren en werkdruk.

Een andere centrale bevinding is dat er onder deze jongeren een grote mate van onduidelijkheid heerst over waar ze zich bevinden in hun onderwijstraject, naar welke kwalificatie ze toewerken, en waarin duaal leren zich precies onderscheidt van het huidige DBSO. De leerlingen geven dan ook een duidelijk signaal dat er nood is aan heldere informatie over duaal leren en de plaats ervan binnen het onderwijslandschap, zowel naar de leerlingen zelf als naar hun ouders, leerkrachten, trajectbegeleiders, mentoren en het brede publiek toe. Daarnaast zaten veel leerlingen met heel praktische vragen omtrent de schoolvakantieregeling en de mogelijkheid tot studentenwerk, waarop ze niet altijd duidelijke antwoorden vonden.

Knelpunten bij de zoektocht naar een werkplek

Bij hun zoektocht naar een werkplek rekenen de jongeren vaak op de opleidingsaanbieder om hen hierin wegwijs te maken en – indien nodig – bij te staan. Het vinden van een werkplek via hun eigen netwerk leek binnen deze doelgroep eerder uitzonderlijk. Hoewel de ervaringen van de jongeren erg divers zijn, kwamen doorheen de gesprekken een aantal belangrijke drempels naar voren. Zo merken jongeren die voordien in een andere onderwijsrichting zaten bijvoorbeeld dat zij nog niet over de juiste vaktechnische startcompetenties beschikken om aan de slag te kunnen gaan op de werkplek. De aanloopfase – bijvoorbeeld in de vorm van het huidige brugproject1 – kan hier in sommige gevallen een oplossing bieden, aangezien het leerlingen de kans geeft om een eerste vorm van werkplekervaring op te doen in de sector, op voorwaarde dat dit brugproject aansluit bij de opleiding.

Niet enkel hun eigen vaktechnische startcompetenties, maar ook een gebrek aan beschikbare geschikte werkplekken bemoeilijkt volgens de jongeren hun zoektocht. Zo denken ze soms dat bedrijven op zoek zijn naar voltijdse arbeidskrachten of dat beschikbare werkplekken ingenomen zijn door leerlingen uit het voltijds onderwijs (zowel onbetaalde stages als duaal leren). In sommige gevallen bleken leerlingen die gestart waren in een opleiding duaal, zich terug ingeschreven te hebben in een opleiding DBSO, omdat de deadline om een werkplek te vinden binnen de opleiding duaal leren verstreken was.

  • 1. Het brugproject is een specifieke vorm van begeleide tewerkstelling die in DBSO wordt aangeboden aan leerlingen. Zie ook https://www.vlaanderen.be/deeltijds-beroepssecundair-onderwijs-dbso

Een ander knelpunt dat de leerlingen naar voor schoven, is de bereikbaarheid van de werkplek. Hoewel een groot deel van de bevraagde jongeren meerderjarig was (en dus hun rijbewijs al had kunnen behalen), blijven de meesten afhankelijk van het openbaar vervoer. Een werkplek moet dus relatief gemakkelijk bereikbaar zijn. Verder zien de leerlingen zich beperkt door uurroosters van de werkplekken die niet altijd overeenstemmen met de tijdsschema’s van het openbaar vervoer.

Een belangrijk deel van de bevraagde jongeren zijn tijdens hun middelbare schoolloopbaan in België aangekomen. Deze specifieke groep ‘anderstalige nieuwkomers’ ervaart dat hun taalkennis vaak als een obstakel beschouwd wordt om te kunnen leren op de werkplek. In Antwerpen en Gent gaven enkelen van deze groep leerlingen zelf het signaal dat ze volgens hen, los van hun talenkennis, onvoldoende kansen krijgen om te starten op een werkplek. In de Brusselse context lijkt de bezorgdheid van deze groep ‘anderstalige nieuwkomers’ niet zozeer te maken te hebben met het feit dat zij het gevoel hebben onvoldoende Nederlands te kunnen om te functioneren op de werkplek, maar eerder dat zij naast Nederlands zelf (alsnog) weinig Frans kunnen. Aangezien deze jongeren, die in Brussel schoollopen in Nederlandstalige scholen, zich niet altijd gewapend voelen om op een (voornamelijk) Franstalige werkplek aan de slag te gaan, kan de zoektocht naar een gepaste werkplek een uitdaging worden en zijn zij soms genoodzaakt om een werkplek buiten het gewest te zoeken, terwijl ze potentiële werkplekken dichter bij huis mislopen. In sommige gevallen blijken de huidige brugprojecten voor deze jongeren een hulpmiddel om Frans te leren. Hoewel deze jongeren soms op moeilijkheden stoten doordat ze het Frans (nog) niet voldoende machtig zijn, laten de werkplekken hen wel toe om andere talen te gebruiken in hun communicatie. Zo beschreef een leerling die sinds 5 jaar in België was hoe zij haar gebrek aan taalvaardigheid  in het Frans kon omzeilen door een andere, met collega’s gemeenschappelijke taal te spreken:

Ik spreek Swahili op het werk, omdat er ook mensen van mijn land zijn. En da’s goed, omdat op mijn werk alleen de hoofdverpleegster en de directeur de twee talen [Nederlands en Frans] spreken. De normale begeleiding spreekt alleen Frans. Dus soms spreken ze Swahili en da’s goed.
Felicia
leerling DBSO

Ook andere jongeren in Brussel, Antwerpen en Gent gaven aan hoe zij op hun werkplek gebruik maken van hun taalkapitaal en gemakkelijk switchen tussen verschillende talen. In die zin sluiten dergelijke meertalige werkcontexten meer aan bij de meertalige sociale realiteit in de grootsteden dan de eentalige schoolcontext, waar de thuistalen van deze jongeren vaak geen plek krijgen.

De kwaliteit van de werkplek

We peilden ook naar eigenschappen die een werkplek volgens de leerlingen tot een ‘goede’ werkplek maken. Zoals gesteld, zijn veel jongeren afhankelijk van openbaar vervoer en een ‘goede’ werkplek is volgens velen dan ook een werkplek die vlot bereikbaar is. Daarnaast speelt ook de verbondenheid die ze voelen met de werkplek een belangrijke rol, i.e. op een ‘goede’ werkplek voelen ze zich ‘thuis’. Dit lijkt sterk samen te hangen met de openheid die ze ervaren bij de mentor om hen de nodige aandacht te geven en hen zaken aan te leren. Bovendien willen de jongeren zich gerespecteerd voelen en ruimte krijgen om fouten te maken waar op een constructieve manier op wordt gereageerd. Alternerend leren laat jongeren toe om niet continu ‘op de schoolbanken’ te moeten zitten, maar het blijven wel voltijdse leerlingen. De jongeren geven aan dat een ‘goede’ werkplek dan ook voldoende leeropportuniteiten biedt, hen niet louter als een extra arbeidskracht ziet, en er rekening mee houdt dat van hen op school ook nog inzet en prestatie wordt verwacht:

- De mensen op de werkplek moeten ook weten dat wij leerlingen zijn.
- Dat wij tijd nodig hebben op school.
- Voilà. Maar als je daar staat, word je meer beschouwd als een extra persoon. Nee, wij zijn leerlingen. … Ik bedoel: die mensen bekijken mij als zo een vaste medewerker. Snap je? En dat ben ik niet, wij zijn leerlingen.
- Die houden ook geen rekening met het feit dat wij woensdag en donderdag les hebben en dat wij ook taken voor school hebben.
Amma en Katrien
leerlingen duaal

Hoewel de werkdruk die de jongeren ervaren erg afhangt van onder andere de opleiding, de sector, de werkplek en het type overeenkomst, is het voor de leerlingen soms moeilijk om zelf hun limieten aan te geven op de werkplek. Vaak zijn ze eerder meegaand wanneer er (te) veel verwacht wordt, onder meer omdat zij ervan uitgaan dat dit erbij hoort, bekommerd zijn om hun toekomst en hopen op een baan bij hun huidige werkplek. In dat geval kijken de jongeren vooral naar de school om over hun belangen te waken als ze op de werkplek zijn, en de grenzen die ze zelf moeilijk kunnen of durven afbakenen, in het oog te houden.

Afstemming tussen school en werkplek

De mate waarin de jongeren het gevoel hebben dat hetgeen ze op school en op de werkplek leren op elkaar aansluiten, lijkt sterk te variëren. Die hangt onder meer af van de sector en de concrete werkplek. Sommige leerlingen hebben door de ervaren werkdruk op de werkplek het gevoel dat de focus veelal komt te liggen op het tijdig uitvoeren van productietaken. Wat ze op school aangeleerd krijgen, kan dan niet altijd (op dezelfde manier) worden toegepast op de werkplek. Anderzijds gaven andere leerlingen aan dat zij vooral bijleren op de werkplek en minder op school. Op school ervaren ze soms minder ruimte om te experimenteren. Wat betreft de begeleiding en de opvolging van het leerproces op de werkplek, gaven verschillende leerlingen aan dat meer intensieve begeleiding vanuit de school en meer aandacht voor hoe het eraan toe gaat op de werkplek, wenselijk is. Bovendien zijn zij ook vragende partij voor meer positieve en proactieve feedback vanuit de school, niet enkel wanneer er problemen zijn op de werkplek.

Het is altijd als er iets slecht is, of je bent een keertje afwezig geweest, of dit ging niet goed, of er is iets gebeurd op je werk. Wanneer het eigenlijk slecht gaat, dan zijn ze er pas om te bemiddelen. Als het goed gaat, dan wordt het nooit zo gezegd. Alleen als het slecht gaat.
Jan
leerling duaal

De aanloopfase als opstap naar leren op de werkplek

Een groot deel van de bevraagde leerlingen zaten tijdens en voor de gesprekken in een brugproject, voor ze op een werkplek aan de slag zijn gegaan. Jongeren die in deze - voorloper van de geplande - aanloopfase terechtkomen, begrijpen dat ze nog niet (volledig) ‘arbeidsrijp’ geacht worden of zien het brugproject vooral als een manier om aan hun ‘vaktechnische startcompetenties’ te werken.  Andere redenen die jongeren aangaven voor het starten in een aanloopfase, waren onder meer hun leeftijd (te jong om te leren op de werkplek, bijvoorbeeld bij gereglementeerde beroepen) of de schoolvakantieregeling.

Over het algemeen zien de jongeren het voortraject of brugproject als deel van het traject dat ze doorlopen vooraleer ze ‘echt’ aan de slag kunnen gaan op werkplek. Echter, of ze het effectief als een nuttige opstap naar leren op de werkplek ervaren, is erg afhankelijk van de kwaliteit en aansluiting van het voortraject of brugproject. Doordat de huidige voortrajecten1 en brugprojecten (wegens het beperkt aantal plekken en financieringsmogelijkheden) vaak beperkt zijn in de tijd, lopen leerlingen die erna niet meteen een werkplek vinden, het risico om geen invulling van hun opleiding te hebben.

  • 1. Zie voor meer info: https://www.vlaanderen.be/deeltijds-beroepssecundair-onderwijs-dbso
Een brugproject mag maar een bepaalde tijd lopen, en als je over je uren zit, dan mag je eigenlijk niet meer binnen in het brugproject. En aangezien dat ik het eerste jaar een heel jaar mijn brugproject gedaan heb, zit ik eigenlijk al over mijn uren. Dus moest ik het volgende jaar thuis zitten.
Oscar
leerling DBSO

Tot slot

Aan het eind van elk gesprek vroegen we de jongeren naar hun toekomstplannen en –verwachtingen, en of ze willen werken in de sector van hun opleiding. Een groot deel van de jongeren bevestigde dit. Opvallend was dat velen ervan dromen om op termijn zelfstandig ondernemer te kunnen worden. Er was echter ook een groep jongeren die zich op langere termijn niet zagen werken in de sector waarvoor ze studeerden; voornamelijk bij opleidingen in de zorgsector. Door hun onderwijstraject op de werkvloer, merken deze jongeren immers dat het vaak zware beroepen zijn met onregelmatige uurroosters en met volgens hen moeilijkere werkomstandigheden. Daarnaast zijn er ook jongeren die hun opleiding vooral zien als een kans op werkzekerheid op korte termijn, of als een manier om een diploma te behalen, eerder dan een voorbereiding op specifieke job. Verder blijft hoger onderwijs voor sommigen nog een toekomstaspiratie. Deze jongeren geven dan ook aan dat het binnen opleidingen alternerend leren belangrijk is om blijvend aandacht te hebben voor algemene vorming en een mogelijke doorstroom naar hoger onderwijs of andere vervolgopleidingen.

Het volledige rapport is beschikbaar op deze website

 

Was deze informatie nuttig?

Bedankt voor uw feedback!

Recente blogberichten