Financiering van duaal leren in internationaal perspectief met Nederland, Oostenrijk en Baskenland (Spanje) als landencases

We brengen de financieringsmodellen van duaal leren in kaart via drie landencases die als inspirerend voorbeeld kunnen dienen voor de verdere uitrol van duaal leren in Vlaanderen. Deze analyse maakt deel uit van de kosten-baten analyse van duaal leren die IDEA Consult in 2020 uitvoert in opdracht van SYNTRA Vlaanderen.

De huidige bijdrage vat de resultaten samen van de uitgevoerde casestudies, nl. Nederland, Duitsland en Baskenland (Spanje). Eerst geven we de nodige achtergrondinformatie over de geselecteerde cases en de organisatie van duaal leren. Daarna gaan we in op de financiering van het systeem, met aandacht voor de ondersteuning aan ondernemingen, zowel financieel als niet financieel. Ten slotte sluiten we af met inspirerende lessen voor Vlaanderen.

De cases

Een belangrijk uitgangspunt voor de selectie van cases was om verder te kijken dan de ‘usual suspects’, zoals bijvoorbeeld Duitsland, waarvan al heel wat geweten is. Daarnaast werd ook de context waarin duaal leren georganiseerd wordt mee in rekening genomen, opdat deze niet te ver afligt van de Vlaamse context. Zo kwamen we tot de volgende cases:

  • Nederland is qua context vergelijkbaar met Vlaanderen. Het kent weliswaar een langere traditie van samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven. Het systeem van beroepsonderwijs wordt veelal als succesvol omschreven.
  • Oostenrijk heeft een lange traditie in duaal leren: duaal leren is er sterk uitgebouwd en welbekend. Regionale stagekantoren nemen een belangrijke rol op in de organisatie en uitvoering van duaal leren.
  • In Spanje focussen we op de regio Baskenland. Duaal leren wordt er, net zoals in Vlaanderen, regionaal georganiseerd. Spanje zet sinds 2012 sterk in op duaal leren en heeft een hele evolutie achter de rug, waardoor ze leereffecten kunnen delen. Er is een belangrijke rol weggelegd voor werknemersnetwerken die scholen aan ondernemingen linken.

Voor elke case wonnen we informatie in via online desk research en interviews met personen die in de landen betrokken zijn bij het systeem van duaal leren en de financiering ervan.1

  • 1. Per casus interviewden we de volgende personen: Nederland: senior beleidsadviseur Gert-Jan van Herwijnen en senior beleidsadviseur Rob van Wezel, beide van Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs (SBB). Oostenrijk: Alexander Hölbl, hoofd afdeling beroepsopleiding, federaal ministerie voor digitalisering en economie. Spanje (Baskenland): Asier Aloria, directeur opleiding van Confebask (handelsvereniging), Julen Elgeta, voorzitter van HETEL (vereniging van opleidingscentra), Aránzazu Martínez Tobalina, hoofd opleiding en tewerkstelling van CCOO Euskadi (vakbond) en Jorge Arévalo, viceminister beroepsopleiding van de Baskische overheid.

Situering

Tabel 1. Kenmerken van duaal leren in de geselecteerde landen

Tabel 1 geeft een overzicht van het systeem van duaal leren in de geselecteerde landen, op een aantal kenmerken: de belangrijkste doelgroep waarop duaal leren zich richt, de duurtijd van de duale opleiding, het aandeel leerlingen, de verhouding tussen de tijd besteed op de werkvloer en op school, het aantal betrokken ondernemingen en het aantal leerlingen.

Financiering

Tabel 2. Overheid, onderneming, leerling: Wie betaalt wat?

In elke case is er sprake van cofinanciering, zoals tabel 2 illustreert. De overheid, de onderneming en/of de leerling dragen dus elk financieel bij aan duaal leren, en dat op verschillende vlakken. De geselecteerde landen verschillen wat betreft de aspecten waaraan die actoren bijdragen.

Figuur 1. Financieringsstromen

Figuur 1 visualiseert de verschillende geldstromen in de drie landen.

Merk op dat er in Oostenrijk twee systemen bestaan: het standaard systeem en het “supra-company apprenticeship”. Men wil elke student de kans geven een duaal traject te volgen. Indien er geen plaatsen in ondernemingen zijn, kan de leerling terecht in door de staat gefinancierde opleidingscentra (Bauakademien), die de rol van de ondernemingen in duaal leren overnemen. In dit systeem betaalt de staat de lonen aan de leerlingen. In het andere systeem is het de werkgever die instaat voor het loon. In Nederland en Oostenrijk is het steeds de werkgever die het loon betaalt.

Onderwijs

De financiering van de onderwijscomponent is als volgt georganiseerd:

  • Nederland: Opleidingsinstellingen worden gefinancierd door de overheid. Het bedrag wordt berekend aan de hand van verdeelsleutels. Hierin zit vervat dat instellingen voor leerlingen in duaal leren (de beroepsbegeleidende leerweg) een lager bedrag ontvangen dan leerlingen in een voltijds schooltraject (de beroepsopleidende leerweg). De redenering is dat de opleiding minder arbeidsintensief is. Een andere bron van inkomsten voor onderwijs is het inschrijvingsgeld betaald door leerlingen. Leerlingen duaal leren betalen welliswaar minder dan voltijdse beroepsleerlingen.
  • In Oostenrijk is er een onderscheid tussen deeltijdse en voltijdse beroepsscholen. Beide worden gefinancierd door de staat. Voor de deeltijdse scholen (Berufsschulen) zijn de provincies (Länder) verantwoordelijk; de voltijdse beroepsscholen vallen onder de federale staat. Leerlingen duaal leren betalen geen inschrijvingsgeld.
  • In Baskenland  ontvangen scholen meer geld voor leerlingen in duaal leren, dan leerlingen in het voltijds onderwijs (in tegenstelling tot Nederland). De financiering verschilt tussen publieke en private opleidingsverstrekkers.
    • Publieke opleidingscentra krijgen financiering voor een aantal lesuren per leerling in duaal leren. Deze uren zijn bedoeld om alle taken verbonden met duaal leren op te nemen (bv. werven van nieuwe ondernemingen, opstellen van overeenkomsten, opvolgen van studenten, …). Leerlingen betalen in het geen inschrijvingsgeld voor publieke opleidingscentra.
    • Gesubsidieerde private opleidingscentra ontvangen een forfaitair bedrag per leerling in duaal leren (€1,000) en leerlingen betalen inschrijvingsgeld (wisselend bedrag).

Ondersteuning voor ondernemingen

De modaliteiten van de steunmaatregelen voor ondernemingen verschillen tussen de cases. We onderscheiden verschillende vormen van ondersteuning:

  • Subsidies
    • Nederland: De belangrijkste steunmaatregel is “subsidieregeling praktijkleren”. Er is een vast jaarlijks overheidsbudget dat verdeeld wordt onder de ondernemingen die erkend zijn als leerbedrijf (plafond €2.700). Voor de gezondheidszorg is er het “stagefonds zorg” opgericht. Ook hier is er sprake van een vast budget dat verdeeld wordt onder de organisaties.
    • Oostenrijk: De belangrijkste steunmaatregel is de “basissubsidie”. Ondernemingen krijgen het eerste jaar 3 maal het loon van de leerling, het tweede jaar 2 maal en het derde jaar 1 maal.
    • Oostenrijk heeft daarnaast kwaliteitsgeoriënteerde subsidies die ondernemingen tegemoetkomen in bepaalde kosten gerelateerd aan de opleiding.
    • Oostenrijk heeft ook een subsidie gericht op het stimuleren van duaal leren voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt.
    • Spanje geeft een forfaitaire subsidie (€2,000) wanneer ondernemingen leerlingen aanstellen onder een contract.
  • Vermindering van belastingen en/of sociale zekerheid
    • Zowel Oostenrijk als Baskenland werken met een systeem van verminderde sociale zekerheidsbijdragen voor ondernemingen. In Baskenland is dit de belangrijkste steunmaatregel. Wanneer ondernemingen een aanwerving doen na een duaal traject, krijgen ze een jaarlijkse forfaitaire vermindering van de sociale zekerheid gedurende drie jaar.
    • Nederland en Oostenrijk hadden oorspronkelijk een systeem van belastingvermindering. Ondernemingen konden bepaalde onkosten in mindering brengen. Beide landen hebben beslist om over te stappen op subsidies, wat hen meer budgettaire controle geeft.
  • Herverdeling via heffingen
    • In Oostenrijk worden de hierboven besproken subsidies gefinancierd vanuit een fonds waaraan alle ondernemingen een verplichte heffing van 0.2% van de brutoloonkost moeten bijdragen.
    • In Nederland en Oostenrijk krijgen ondernemingen met duale werkplekken in sommige sectoren aanvullend steun vanuit sectorale opleidingsfondsen waaraan werkgevers bijdragen.
  • Niet-financiële ondersteuning
    • Nederland: SBB (Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven) speelt een centrale rol en biedt diensten aan om de kwaliteit van de werkplekken en opleiding te verhogen (bv. opleiding voor mentoren, online tools, webinars, …) . Ook staan ze in voor matching van vraag en aanbod en het onderhouden van een online platform waarop leerlingen en werkplekken elkaar kunnen vinden.
    • Oostenrijk: kent aanvullend een systeem van projectfinanciering (bv. coaching voor leerlingen en mentoren). Stagekantoren helpen ondernemingen met contacten met onderwijs en het vinden van de juiste steunmaatregelen en bieden administratieve ondersteuning.

Lessen

We kunnen een aantal lessen trekken uit de hierboven besproken cases:

  • Nood aan heldere financiële stimuli voor ondernemingen, maar focus op kwaliteit van de opleiding. Uit de drie landencases kwam naar voren dat het belangrijk is om transparante financiële steunmaatregelen te creëren, zodat alle mogelijkheden duidelijk zijn en hier geen discussie over mogelijk is. Ook is het belangrijk om zekerheid te geven over op welke ondersteuning ze aanspraak kunnen maken, zodat ondernemingen weten waar ze aan toe zijn. Op deze manier kan de aandacht gaan naar het creëren van kwaliteitsvolle duale werkplekken.
  • Opletten met fiscale maatregelen. Twee landen hebben een fiscale maatregel ingeruild voor een subsidie om de steun beter te kunnen monitoren en sturen.
  • Heffingen zorgen voor een verdeling van de lasten tussen ondernemingen. Via heffingen dragen meerdere ondernemingen bij aan de kosten van duaal leren, aangezien ze er allemaal op termijn baat van kunnen hebben.
  • Algemene en specifieke subsidies. Alle cases hebben een algemene subsidie voor duale werkplekken. In Oostenrijk zijn er daarnaast ook gerichte subsidies op kwaliteit en het aanwerven van doelgroepen. Dergelijke subsidies laten inhoudelijke sturing en ondersteuning toe. Stagekantoren ondersteunen de ondernemingen om te kijken welke subsidies voor hen van toepassing kunnen zijn. Het is belangrijk om te zorgen dat verschillende maatregelen een coherent geheel vormen en niet te veel overlappen.
  • Partnerschappen onderwijs, werk en werknemers. Er wordt ingezet op overleg tussen en inspraak door onderwijs, werkgevers en werknemersorganisaties. Het is belangrijk betrokkenheid te creëren bij deze relevante actoren. Dit komt ook de kwaliteit van de opleiding ten goede. Deze bevinding bevestigt de keuze van Vlaanderen om te investeren in partnerschappen.
  • Praktische organisatie en ondersteuning bij een bevoegde dienst. Zowel in Nederland als in Oostenrijk zijn er specifieke diensten die duaal leren ondersteunen. De diensten worden betaald vanuit de overheid. Ze ondersteunen ondernemingen bij hun subsidies, verzorgen de erkenning van de leerondernemingen, voorzien bepaalde opleidingsmaterialen, plegen overleg met onderwijs, volgen matching op etc. In Baskenland is er geen structureel systeem, maar leggen ondernemersnetwerken de link tussen ondernemingen en onderwijs.
  • Evaluaties met een focus op de arbeidsmarktuitkomsten. In de cases wordt de uitstroom van leerlingen uit duaal leren naar de arbeidsmarkt gemonitord. Men bekijkt ook hoe de arbeidsmarkt evolueert (bv. via regelmatige bevragingen bij ondernemingen). Op basis hiervan worden aanbevelingen geformuleerd om het beroepsonderwijs beter te laten aansluiten op de arbeidsmarkt.
  • Een gecontroleerd groeiend systeem. In het Baskenland kiest men bewust voor een langzame en gecontroleerde groei van het systeem. Op deze manier probeert men de lessen uit de initiële ervaringen toe te passen en het systeem te optimaliseren.
  • Organisatie van het schoolgedeelte. Net als Vlaanderen is duaal leren in het Baskenland gekenmerkt door een kleine schaal. Het Baskenland heeft het klasgedeelte op een innovatieve manier ingevuld, wat inspiratie kan bieden voor Vlaanderen. In Baskische centra voor beroepsonderwijs/opleiding, volgen leerlingen in een duaal traject en andere leerlingen samen les. Gemengde groepjes krijgen “uitdagingen” die ze samen moeten oplossen. De bedoeling is dat de leerlingen elkaar bijpraten. Indien aangewezen kan de leerkracht de duale leerling aanvullend ook een extra opdracht geven om thuis aan te werken.

Was deze informatie nuttig?

Bedankt voor uw feedback!
Referenties