Leren duaal leren: benut het immense potentieel van duaal leren

Het voorbije weekend werden de resultaten bekendgemaakt van de pilootprojecten duaal leren [noot van de redactie: deze publicatie verscheen in december 2018]. In drie jaar tijd is het aantal leerlingen gestegen tot 1094. Een positief signaal waardoor duaal leren als leerweg niet meer weg te denken is uit ons opleidingslandschap en bovendien biedt het een antwoord op de snel veranderende arbeidsmarkt. Maar het potentieel is groot, heel groot. Het is namelijk een leerweg die kan worden gevolgd door verschillende doelgroepen en dat in een veelheid van contexten. Om dat mogelijk te maken wordt er het best ingezet op verschillende pistes. Het boek ‘Leren duaal leren’, dat begin 2018 werd gepubliceerd bij ACCO schetst hoe het immense potentieel van duaal leren ten volle kan worden benut. 5 pistes worden aangereikt;

  1. Duaal leren als leerweg voor elke lerende
  2. Technologie maakt gepersonaliseerd leren mogelijk
  3. Inzetten op een verder afstemming met de arbeidsmarkt
  4. Cocreatie is een must
  5. Financiering als driver

1. Duaal leren als leerweg voor elke lerende

Ten eerste is het belangrijk om duaal leren in de markt te zetten als een leerweg die kan worden gevolgd door verschillende doelgroepen. Dat duaal leren gestart is in het secundair onderwijs is een geweldig gegeven. In veel buurlanden wordt duaal leren echter als leermethode gebruikt in alle verschillende soorten opleidingen, van secundair over hoger onderwijs tot opleidingen voor werknemers. We zien dat duaal leren aan belang wint in het hoger onderwijs in Vlaanderen. Verschillende pilootprojecten zijn immers al van start gegaan. Op Vives loopt er bijvoorbeeld een duale bachelor elektromechanica en aan de HoGent worden zowel retailmanagement als elektromechanica duaal ingericht. Daarnaast biedt de Karel de Grote Hogeschool een duale bachelor chemie aan in samenwerking met de AP Hogeschool en Essencia. Ook het interuniversitaire programma Master in Enterprise Architecture is een duale master waarbij een groot deel van het traject samen met de bedrijfswereld werd opgemaakt en waarbij dat traject plaatsvindt binnen bedrijven. Hetzelfde verhaal vinden we terug bij de Masters en alternance: Gestion de la production, Services généraux, een samenwerking tussen ICHEC, ECAM en Agoria. Steeds wordt het opleidingstraject vormgegeven samen met het bedrijfsleven en bestaat een aanzienlijk deel van het traject eruit dat de werkgever de lerende competenties bijbrengt.

Meer en meer studierichtingen zijn zo opgebouwd dat een groot aandeel van het leren gebeurt bij één of meerdere werkgevers. Het wordt niet beperkt tot (leerplichtige) jongeren of tot de initiële vorming. Ook tijdens de latere fasen van iemands leerloopbaan kan duaal leren een hefboom zijn om blijvend de juiste competenties te verwerven. De technologie- en robotiseringsgolven die ons binnenkort zullen overspoelen, zorgen ervoor dat jobs in de toekomst sneller zullen verdwijnen en veranderen. Dat dwingt onze werknemers om continu en in een snel tempo nieuwe dingen aan (maar ook af) te leren. Ook is er nood aan meer transversale vaardigheden, zoals creatief denken, samenwerken en innoveren, in plaats van aan vakkennis en jobspecifieke vaardigheden. Via duaal leren komt een lerende in aanraking met de nieuwste technologieën en moderne infrastructuur, en wordt hij/zij uitgedaagd om snel te reageren op actuele problemen. Het is met andere woorden dé manier bij uitstek om levenslang te blijven leren.

2. Technologie maakt gepersonaliseerd leren mogelijk

Als iedere lerende op een gegeven moment in zijn/haar leerloopbaan andere competenties moet verwerven, door een exponentieel veranderende arbeidsmarkt bijvoorbeeld, is er van een standaard leertraject weinig sprake. Gepersonaliseerd leren neemt hier dan het voortouw, maar vaak blijft de vraag of zo’n gepersonaliseerd traject wel te organiseren valt Digitalisering en technologie kunnen ons dan misschien voor grote uitdagingen zetten, maar ze kunnen ook een geweldige facilitator zijn om gepersonaliseerde leertrajecten te ondersteunen. Dat kan op twee manieren: (1) door technologie in te zetten als leermethode zelf, wat toelaat om plaats- en tijdsonafhankelijk competenties te verwerven of te verbeteren en dat een oneindig aantal keer en (2) door de omkadering van leertrajecten.

Technologie inzetten als opleidingsmethode heeft al twee belangrijke pistes ontgonnen. Online platformen zoals Coursera bieden iedereen de mogelijkheid om toegang te krijgen tot cursussen van topuniversiteiten.  Dergelijke platformen bieden ook de mogelijkheid om een online cursus te ontwikkelen in samenspraak met de bedrijfswereld. Competenties die op de arbeidsmarkt of bij de werkgever al belangrijk zijn maar waar (nog) geen traject voor is ontwikkeld binnen het “gewone” onderwijs kunnen zo toch worden aangeboden, aangeleerd en gekwalificeerd. Daarnaast kunnen VR en robotica VR en/of robotica gebruikt worden als instrument om competenties aan te leren en in te oefenen binnen een gesimuleerde werkplek. Het kan daarbij zowel om beroepsgerichte competenties, bijvoorbeeld omgaan met gevaarlijk materiaal, als om generieke competenties gaan, bijvoorbeeld klantvriendelijkheid.

VR biedt echter veel meer mogelijkheden dan alleen als opleidingsmethode. Zo kan VR niet alleen worden ingezet om veilig en kosteloos competenties aan te leren binnen gesimuleerde werkplekken, maar ook om (reeds aanwezige) competenties (zowel beroepsgerichte als generieke) te testen in het kader van arbeidsrijpheid. Zo zouden we bijvoorbeeld stressbestendigheid kunnen nagaan met VR, door het aantal klanten of orders in de virtuele omgeving te verhogen, om alleen wie al een bepaald niveau heeft bereikt toe te laten tot een bepaalde duale opleiding. Op die manier kan VR gebruikt worden in rekrutering en in screeningsprocessen van werknemers of studenten.

Data gebruiken om lerenden (student/werknemer) te matchen met werkgevers kan dan weer een andere opportuniteit zijn. Door kenmerken en indicatoren van beide partijen online te registreren, kunnen individuen ontdekken welk type bedrijf het best bij hen past en kunnen werkgevers zien welke begeleiding ze nodig hebben. Bedrijven verschillen immers in de mate waarin ze formeel of informeel omkadering geven aan een leercultuur. Elke organisatie heeft dan ook een eigen bedrijfscultuur. Digitale matching met behulp van big data biedt daarbij dus ook een mogelijkheid, bijvoorbeeld om (online) profielen te generen, zowel van individuen als van werkgevers. Beide profielen samenleggen kan de matching aanzienlijk verbeteren, wat de leerkwaliteit ten goede komt en de succesratio van loopbanen maximaliseert. Bovendien kunnen profielen van individuen en bedrijven met elkaar worden vergeleken via bigdata-analyse van sociale mediakanalen waarop individuen en bedrijven zich kunnen registreren. In het ideale scenario verkrijgt het individu een overzicht van de werkgevers waarvoor hij/zij in aanmerking komt, wat hem/haar toelaat om vervolgens zelf op zoek te gaan.

Tenslotte kan een individu de technologie gebruiken om zijn/haar eigen competenties in kaart te brengen, op te volgen, te valideren en als het ware in een rugzak mee te nemen tijdens zijn/haar leerloopbaan. Via een e-portfolio, een persoonlijk digitaal dossier, kan elke lerende zijn/haar competentie-verwerving ook zélf opvolgen. Daarbij zouden eventueel foto’s en video’s kunnen worden geüpload. Tot slot zouden in zo’n e-portfolio ook alle vormen van certificeringen mogelijk zijn (attesten, EVC, getuigschriften, deelkwalificaties, diploma’s, …).

3. Inzetten op een verdere afstemming met de arbeidsmarkt

Een derde piste is hefbomen creëren binnen duaal leren om een betere afstemming met de arbeidsmarkt te verkrijgen. Naast het potentieel bij bestaande duale richtingen in het secundair is er ook veel vraag naar nieuwe duale richtingen en dat in verschillende vakgebieden, zoals STEM-opleidingen. Nu zijn er maar vier van de vijftig richtingen ‘Technische opleidingen’ en drie Se-n-Se-opleidingen duaal ingericht. Toonaangevende bedrijven zoals Proximus, Mercedes en Engie alsook het Global Apprenticeship Network (waarvan o.a. Adecco Group, IBM en Microsoft lid zijn) hebben veel duale werkplekken ter beschikking en hebben bedrijf- en sectoroverschrijdende noden in kaart gebracht, maar de nodige opleidingstrajecten worden nog niet duaal aangeboden. Het aanbod van duale werkplekken is vandaag dus veel hoger dan het aantal duale opleidingen. Het aantal richtingen uitbreiden, zeker in technische en STEM-richtingen, zou het potentieel van duaal leren dus nog sterk kunnen verhogen.

Hoe komt het dan dat die opleidingen nog niet duaal worden aangeboden? Met andere woorden; hoe selecteren we de trajecten die duaal worden aangeboden? Het startpunt voor alle aanbieders van een duale richting is nu echter het standaardtraject. In een standaardtraject wordt er vastgelegd (1) welke competenties moeten worden verworven door het traject heen en (2) welke competenties bij de werkgever zullen worden aangeleerd en welke op school. Om een idee te hebben over welke competenties het gaat wordt vertrokken vanuit een beroepskwalificatie. Een beroepskwalificatie legt vast wat een beginnende beroepsbeoefenaar (bijvoorbeeld een procesoperator) moet kunnen om zijn/haar beroep uit te oefenen.

Naast die beroepskwalificatie, moet een duaal traject passen in de matrix van het secundair onderwijs. Dat betekent dat alleen de trajecten geselecteerd kunnen worden die passen in een van onderstaande domeinen: Taal en Cultuur, STEM, Kunst en Creatie, Land- en Tuinbouw, Economie en Organisatie, Maatschappij en Welzijn, Sport, Voeding en Horeca. Die beperkte studiedomeinen en de verplichte beroepskwalificatie als instapvoorwaarden beperken de mogelijkheid om met duaal leren succesvol af te stemmen met de arbeidsmarkt. Hieronder lijsten we deze beperkingen op:

  1. Een beroepskwalificatie legt de competenties vast. Snelle wijzigingen van noodzakelijke competenties worden pas reactief aangepast in de beroepskwalificatie die de basis vormt voor een standaardtraject.
  2. Beroepskwalificaties worden meestal geïnitieerd door één sector. Er zijn echter steeds meer cross-sectorale beroepen, zoals procesoperator met een specialisatie in een bepaalde sector.
  3. We kunnen nieuwe beroepen steeds moeilijker voorspellen. Door de beperking van een beroepskwalificatie kunnen nieuwe beroepen pas duaal worden aangeboden wanneer de intentie er is om een beroepskwalificatie te ontwikkelen.

Veel innovatieve trajecten passen niet in de acht studiedomeinen van de hervorming secundair onderwijs, waardoor ze per definitie niet duaal kunnen worden aangeboden. Een eerste belangrijke hefboom om niet langer op te leiden tot één job is de manier waarop de trajecten nu worden vormgegeven in ons onderwijs en opleidingslandschap. Voorbeelden daarvan zijn de beroepsgerichte opleidingen in het secundair onderwijs en in het volwassenonderwijs en beroepsgerichte trajecten voor werknemers. Bij ieder traject wordt vooraf volledig bepaald wat moet worden aangeleerd. De procedures om de inhoud van die leertrajecten te veranderen en op te maken volgen de snelheid van de arbeidsmarkt niet. Exemplarisch daarvoor zijn de trajecten die achterhaald waren voor ze voor het eerst konden worden ingericht. Nochtans bieden buitenlandse voorbeelden inspiratie. In Oostenrijk, bijvoorbeeld, wordt zestig procent van de competenties vastgelegd en veertig procent wordt ingezet voor nieuwe competenties of competenties die nog niet gekend zijn. Andere mogelijkheden zijn trailblazersgroepen (UK) waarbij bedrijven zich groeperen over de sectoren heen om een opleidingstraject met verstrekkers in te richten. Ook de uitbreiding van doelgroep biedt opties gezien de matrix en de standaardtrajecten niet van toepassing zijn in het hoger onderwijs

4. Cocreatie is een must

Verder bouwend op het SAMENstellen van trajecten als een belangrijke hefboom voor een betere afstemming tussen onderwijs en arbeidsmarkt, is cocreatie een essentieel onderdeel van duaal  leren als leersysteem. Dat we naar een flexibel leersysteem moeten is duidelijk, anders blijven we achterop hinken. Cocreatie is daarbij cruciaal. Bij cocreatie worden ideeën verder geconcretiseerd door verschillende partners die het proces en de verdere uitwerking van het idee samen continu vormgeven.

Het succes van cocreatie bleek al uit Ideaal Duaal, een brainstorm over duaal leren in heel Vlaanderen. Iedereen kon de voorbij weken ideeën indienen; leerlingen, leerkrachten, mentoren, werkgevers, sectoren, enz. Ideaal Duaal overtrof alle verwachtingen door de afgelopen drie weken meer dan honderddertig ideeën te verzamelen die school en werkplek beter op elkaar afstemmen. Bovendien werd een online community uitgebouwd met meer dan duizend leerlingen en leerkrachten, mentoren, werkgevers, enz. Een succesvol leersysteem zal dus alleen overeind blijven als het erin slaagt ruimte te laten om zichzelf telkens opnieuw uit te vinden en bij te sturen, om de snel veranderende omgeving en de verschillende partijen in een cocreatief proces met elkaar te verenigen.

Een van de belangrijkste voorbeelden van cocreatie is de manier waarop de leergemeenschappen van Agoria zijn opgevat. Die kunnen worden omschreven als een groep leraren uit verschillende scholen en technische en HR-medewerkers van bedrijven die face to face worden samengebracht. Het expliciete doel is het duale traject pedagogisch en didactisch vorm te geven, om de leerprocessen van de leerlingen te optimaliseren. De leden van de leergemeenschap starten vanuit het delen van ideeën, inzichten en bestaande materialen, evolueren naar een concrete en praktijkgerichte uitwerking van nieuwe didactische aanpakken en hebben als doel didactisch leren dat in de praktijk zal worden omgezet.

5. Financiering als driver

Onafhankelijk van welk financieringsmechanisme wordt gekozen in een leersysteem, het is sowieso een sleutelelement om het gedrag van de betrokkenen aan te sturen. De gekozen financiering zorgt voor een stimulus bij de ontvanger in een welbepaalde richting. Bij de manier waarop een bepaalde incentive wordt vormgegeven moet dus rekening worden gehouden met het gedrag die een bepaalde incentive teweegbrengt.

Er zijn twee knelpunten die de samenwerking tussen aanbieders in het secundair onderwijs momenteel bemoeilijken. Ten eerste bieden sommige aanbieders hun opleidingen modulair aan en andere lineair. Samenwerking tussen die aanbieders realiseren vereist daarom extra afstemming over de opleidingsinhoud. De tweede en belangrijkste oorzaak waarom zo weinig aanbieders geneigd zijn samen te werken ligt aan de financiering. Het huidige model van aanbodfinanciering is erop gericht de uren en kosten voor één leerling binnen één school te financieren. Er wordt daarbij nog onderscheid gemaakt tussen personeelsmiddelen, werkingsmiddelen en omkadering. Er zijn bovendien verschillende manieren van financieren in de huidige systemen.

Aanbieders kunnen wel een beperkt aantal uren overdragen aan elkaar De huidige regelgeving staat toe dat een voltijdse school en een CDO via een samenwerkingsovereenkomst specifieke afspraken kunnen maken om samen te werken. Om gefinancierde uren over te dragen van de ene naar de andere aanbieder, kan gebruik worden gemaakt van het principe van voordrachtregeling. Daarbij worden bepaalde uren als het ware uitbesteed aan een andere instelling. Het nadeel is dat deze regeling gelimiteerd is. De voordrachtregeling kan alleen worden aangewend voor een beperkt aantal uren per week en alleen als er geen eigen leerkrachten zijn die de vakken kunnen geven.

Om bovenstaande problemen op te lossen en om maximale samenwerking te stimuleren, zou er gedacht kunnen worden aan een componentenfinanciering. Dat betekent dat een duale aanbieder niet gefinancierd wordt per leerling voor het ganse traject, maar voor een deeltaak (component) van duaal leren. Componenten die daarbij onderscheiden kunnen worden zijn: algemene vorming, beroepsgerichte vorming, trajectbegeleiding, begeleiding werkplekcomponent, enz. Zo kunnen aanbieders gemakkelijker samenwerken en elk een deel van het traject vormgeven. Dat kan leiden tot efficiëntiewinsten en uiteindelijk een kwaliteitsvoller duaal systeem. Daarnaast is het ook mogelijk dat aanbieders zich specialiseren in het aanbod. Dat kadert binnen het idee om het opleidingsaanbod provinciaal/regionaal te gaan afstemmen op elkaar, iets wat nu erg weinig gebeurt.

Voor de opleiding van werknemers is de financiering ook cruciaal. De financiering van leren via sectorale opleidingsfondsen en verstrekkers moet opnieuw worden uitgedacht. Bovendien worden meer en meer bedrijven opgericht die niet eenduidig meer aan één sector zijn toe te wijzen of komen er economische activiteiten aan bod die meer dan één sector omvatten. Voorbeelden daarvan vinden we terug in de farmaceutische industrie, waar laboranten steeds meer kennis moeten hebben van nanotechnologie om analyses uit te voeren. Textielbedrijven maken meer en meer gebruik van kunststoffen. De huidige sectorale invulling komt hier niet aan tegemoet en grote bedrijven verenigen zich om zelf opleidingen te voorzien. In het licht van de technologische ontwikkelingen lijken zowel de sectorale logica en opleidingsfondsen als de paritaire comités achterhaald. Een mogelijk alternatief is een globaal fonds waar elke onderneming aan bijdraagt of een leerbudget voor werknemers, die dan zelf hun opleidingen kiezen.

De financiering van een leersysteem is dus een cruciale hefboom voor beleidsmakers om gewenste resultaten te bereiken. In Vlaanderen kennen we een aanbiedersgerichte financiering: wanneer een leerling zich inschrijft voor een duale opleiding, krijgt de opleidingsinstelling een bedrag om dat leertraject in te richten (zowel personeel als omkadering). Die manier van financieren verhindert echter de samenwerking tussen verschillende aanbieders van duaal leren op het terrein. Door de invoering van een componentenfinanciering, waarbij deelaspecten van een duaal leertraject afzonderlijk kunnen worden ingericht en gefinancierd, wordt samenwerking gestimuleerd waarbij aanbieders zich specialiseren in die delen van het traject waar ze sterk in zijn. Een kijk op het nieuwe financieringssysteem van het Verenigd Koninkrijk laat zien dat een vraaggerichte financiering gerealiseerd kan worden door de middelen niet aan opleidingsinstellingen, maar aan de bedrijven te geven. Op die manier probeert men de mismatch in vaardigheden te beperken.

Conclusie

  1. Duaal leren is uit de startblokken in Vlaanderen.
  2. Om even grote succescijfers voor te leggen als in de buurlanden is het cruciaal dat duaal leren een adaptief leersysteem wordt waarin duaal leren als leerweg voor verschillende lerenden wordt ingezet.
  3. Financiering, cocreatie en technologie vormen daarbij drie essentiële aspecten van de omkadering van een dergelijk leersysteem.

Meer lezen?

Meer informatie over het boek 'Leren duaal leren' vindt u hier.

Was deze informatie nuttig?

Bedankt voor uw feedback!
Referenties

 

Deze bijdrage verscheen als Dekocker, V. (2018). Leren duaal leren: benut het immense potentieel van duaal leren. Over.Werk. Tijdschrift van het Steunpunt Werk, 28(2), 106-110. Leuven: Steunpunt Werk / Uitgeverij Acco.

Auteurs

SYNTRA Vlaanderen

Recente blogberichten