Niet meer, maar anders investeren in leren

Met de invoering van duaal leren wordt een nieuwe leerweg in het opleidingslandschap in Vlaanderen geïntroduceerd. De afstemming tussen werkgevers en opleidingsverstrekkers is dankzij het gebruik van technologie organiseerbaar, wat de mogelijkheden van technologie illustreert om het leren van de toekomst te ondersteunen. De vraag rijst dan waar er nog mogelijkheden zijn om het leren te optimaliseren. In aanloop naar de nieuwe regering wordt immers gevraagd naar meer middelen voor de omkadering van het onderwijs. Heel veel leerkrachten willen de begeleiding van jongeren, leerlingen en studenten terug centraal stellen. Het inzetten van meer mensen lijkt altijd een oplossing te bieden om betere resultaten te verwezenlijken, maar is dat wel zo? Op basis van een tijdsstudie bij leerkrachten worden in deze bijdrage inzichten gegeven in de rol van technologie als ondersteuning in het leren van de toekomst.

Neem eens een ander perspectief

Een alternatief ten opzichte van het inzetten van meer middelen bestaat erin om anders te kijken naar hoe de middelen kunnen aangewend worden. Een van de opties is het gebruik van technologie en digitalisering in de ondersteuning van het leerproces en als ondersteuning van leerkrachten.

Het internet en de vele online platformen bieden de beste cursussen aan die voor iedere lerende gratis toegankelijk zijn en aangeleverd worden door de beste professoren wereldwijd. Wat houdt ons tegen om - naast de klassieke boeken - gebruik te maken van online cursussen, zoals in de ons omringende landen? Waarom maken we onze eigen cursussen zelf niet online toegankelijk voor anderen? Waarom worden Virtual reality, Augmented reality en gaming niet veel meer gebruikt om kennis over te dragen of activiteiten in te oefenen? Op die manier is alle kennis immers toegankelijk op ieder moment en dat voor iedereen. En het grootste voordeel is dat leerkrachten ingezet kunnen worden waar ze belangrijk zijn: als coach om uit iedere individuele jongere het maximale te halen.

Waar zijn de mogelijkheden? Tijdstudie bij leerkrachten

De  VUB  voerde recent een onderzoek uit naar de tijdsbesteding van leerkrachten in het basis- en secundair onderwijs in Vlaanderen (Minnen et al., 2018). Om na te gaan of leerkrachten inderdaad anders ingezet kunnen worden, gaan we op basis van dat onderzoek verder in op volgende vraag: hoeveel tijd besteden leerkrachten aan hun beroepstaken en hoe wordt hun werktijd ingevuld? Het onderzoek werd uitgevoerd tussen januari en mei 2018 bij 8571 leerkrachten uit verschillende onderwijsstructuren en met variabele percentages van tewerkstelling (voltijds, halftijds, deeltijds). Om het diverse takenpakket van leerkrachten in kaart te brengen, werd gebruik gemaakt van een activiteitenlijst met zowel lesgerelateerde taken (het eigenlijke lesgeven, lesvoorbereidingen en verbeterwerk) als niet-lesgerelateerde taken (communicatie met ouders of voogden, participatie in schoolmanagement en algemeen administratief werk).  

De deelnemende leerkrachten registreerden voor elk van die activiteiten de arbeidstijd. In het totaal gaat ongeveer 63% van de tijd van leerkrachten naar lesvoorbereidingen en lesgeven (en verbeteringen). De overige tijd wordt gespendeerd aan taken die niet behoren tot de kern van lesgeven.  

Wat is de kostprijs van al die activiteiten?

Om inzicht te krijgen in de kostprijs van de verschillende activiteiten die in de tijdsmeting bekeken worden, wordt gewerkt met Function Value Map. Function Value Map (FVM) is een financiële methode die tijd omzet naar geld en daarbij kritisch de verschillende technologieën in een onderneming beschouwt (De Saegher et al., 2012).1 Zo kan tot verbetervoorstellen gekomen worden die niet noodzakelijk een zware financiële investering met zich meebrengen.

Bij de toepassing van die methode worden verschillende stappen gevolgd, waarbij wordt nagegaan wat de kostprijs is van een bepaalde activiteit en of die mogelijks kan vervangen worden door innovatieve en technologische oplossingen. Volgend stappenplan wordt hierbij gehanteerd:

  • De activiteiten die werden gemeten tijdens het onderzoek, kunnen we opdelen in detailactiviteiten. Elke detailactiviteit is verbonden met een werkwoord. Een voorbeeld van een werkwoord is verifiëren, wat net als sommige andere werkwoorden, te algemeen was en vertaald werd naar specifieke werkwoorden.
  • Verifiëren omvat bijvoorbeeld ook administratieve opvolging die betrekking heeft op het verifiëren van aan- of afwezigheid van documenten. Het begeleiden van leerlingen kan ook wijzen op het verifiëren van gedrag van de leerlingen. Het controleren van de aanwezigheid van lesmateriaal is dan nog een andere vorm van verifiëren. Al die activiteiten worden dus gekoppeld aan het werkwoord verifiëren.
  • Die activiteiten en de tijdsregistratie ervan worden vervolgens gecombineerd met de hoeveelheid budget die er gaat naar elke deelactiviteit in een Function Value Map.

Er is bij de berekening uitgegaan van een gemiddelde loonkost op jaarbasis, per leerkracht van 59.411 euro2 wat neerkomt op een dagloonkost van 339,49 euro en een uurloonkost van 45 euro.3 Dat zijn wel gemiddeldes.

  • 1. Dit is een tool die werd ontwikkeld door onder meer Ives de Saeger van Factory of the Customer. De tool is beschreven in een wetenschappelijk artikel. De berekening zelf werd door the Factory of the Customer gemaakt. Zie De Saegher et al. (2012).
  • 2. In Vlaanderen is er een gemiddeld brutoloon van $53.537, met andere woorden €47.529 totale loonkost, vermenigvuldigd met patronale bijdrage, wat neerkomt op € 59.411 (aantal lesdagen: 175 en aantal uur per dag: 7,5).
  • 3. Gebaseerd op gemiddeldes van de verschillende leerkrachten in verschillende schoolsystemen en met uiteenlopende anciënniteit, zie OECD (2018), "Table D3.1a - Teachers' statutory salaries, based on the most prevalent qualifications at different points in teachers' careers (2017): Annual teachers' salaries, in public institutions, in equivalent USD converted using PPPs for private consumption", in Teachers, the Learning Environment and the Organisation of Schools, OECD Publishing, Paris, https://doi.org/10.1787/eag-2018-table192-en.
Figuur 1. Kosten op jaarbasis berekend op basis van gespendeerde tijd per uitgevoerde activiteit (Bron:verwerking van VUB-studie met Function Value Map-methode)

De uitwerking van iedere detailactiviteit is weergegeven in figuur 1. Op de Y-as vinden we verschillende  specifieke werkwoorden terug. Op de X-as staan de kosten over alle leerkrachten heen per werkwoord en per jaar. Dat specifiek werkwoord verbinden we met een object en een parameter. 

Een object is een zelfstandig naamwoord, iets wat je kan ‘vastnemen’ zoals een schrift, agenda of persoon. Parameters daarentegen kan je niet ‘vastnemen’, zoals kennis, gedragsregels, tijd en kwaliteit. De specificatie naar objecten en parameters bij een werkwoord is noodzakelijk om in een volgende stap na te gaan of er reeds een bestaande technologie binnen edtech of in een andere sector is ontwikkeld. Als we de specifieke werkwoorden en eraan gespendeerde tijden combineren met de kost, dan zien we hoeveel budget er gaat naar elke detailactiviteit. Dat is een Function Value Map. Zoals geïllustreerd in bovenstaande figuur, nemen verifiëren, begeleiden en uitwerken de grootste hap uit het budget.

Welke innovatie is dan prioritair en realiseerbaar?

Er is een waaier aan mogelijkheden om de activiteiten die leerkrachten verrichten, te vervangen door technologie. Maar technologie kost ook geld. Bovendien is er een variatie in de ontwikkelingskost van technologieën. Zo is het makkelijker om na te gaan of een document aanwezig is of juist is ingevuld (ja-nee) dan om bijvoorbeeld een “heen-en-weer-schriftjes”- systeem te automatiseren.

Bij het opstellen van de Function Value Map worden drie criteria gebruikt om de prioritering en realiseerbaarheid na te gaan van de implementatie van een technologie of een nog te ontwikkelen technologie :

  1. Elke detailactiviteit (vermeld in figuur 1) wordt geplaatst op een schaal van 1 (geen variatie) tot 10 (veel variatie mogelijk). Hoe minder variatie, hoe makkelijker een technologische oplossing kan ontwikkeld worden.
  2. Er wordt rekening gehouden met het feit of er reeds edtech start- en scale ups - startende technologische ondernemingen die educatie ondersteunen - bestaan die een oplossing bieden. Daarbij wordt gebruik gemaakt van een inventarisatie van alle learntech startups in Vlaanderen gerangschikt volgens specialisatie. Die rangschikking geeft aanleiding tot een schaal van 1 tot en met 10: een 10 geeft weer dat er reeds verschillende edtech startups bestaan en dat die al massaal worden gebruikt; een 1 geeft aan dat er geen startups bestaan die bezig zijn met deze technologie in het learntech domein.
  3. Er wordt nagegaan of er technologische inspiratie die kan worden toegepast, vanuit andere sectoren dan edtech komt. Vernieuwingen op dit vlak worden ook wel ‘grenzelingen’ genoemd. We kunnen bij andere sectoren kijken of er daar bestaande technologieën zijn die we eveneens kunnen toepassen binnen learntech om een probleem op te lossen, zoals HRtech of insurancetech.

De analyse van de detailactiviteiten die leerkrachten verrichten naar tijdsinvestering, in combinatie met beide criteria voor technologische innovatie, levert interessante inzichten op (zie tabel 1).

Tabel 1. Prioritaire acties rekening houdend met Function Value Map en criteria voor technologische innovatie.

 
Kostprijs van activiteiten
Variatie1
 
Aanwezigheid startups2
Aard van startups (binnen edtech of andere sectoren)
Prioriteit3 i.f.v. 3 criteria4 
Verifiëren
Hoog
4
3
Innovatie/gebruik van grenzeling
1
Begeleiden 
Hoog
6
3
innovatie/gebruik van grenzeling
2
Lesgeven
Hoog
8
6
implementatie van bestaande edtech
1
Demonstreren
Gemiddeld
8
6
Implementatie van bestaande edtech
2
Bijleren 
Gemiddeld
5
3
innovatie/gebruik van grenzeling
3
Communiceren
Laag
7
7
implementatie van bestaande edtech
3
  • 1. 1=geen variatie tot 10=veel variatie.
  • 2. 1=geen aanwezigheid tot 10=sterke aanwezigheid.
  • 3. 1=meest prioritair tot 3=minst prioritair.
  • 4. De 3 criteria zijn: Function Value Map, variatie en aanwezigheid van bestaande tech startups of innovatie.

Combineren we nu de kostprijs van activiteiten, het gemak waarmee een technologie kan ontwikkeld worden (variatie) en de aanwezigheid van bestaande (edtech)startups of technologie uit andere sectoren, dan kunnen we bij wijze van voorbeeld - op basis van tabel 1 - opmaken dat er verschillende prioriteiten zijn:

  • Prioriteit  1: Bij verifiëren en lesgeven dient prioritair ruimte gemaakt te worden voor nieuwe technologische innovaties, gezien de kostprijs van de activiteiten (zie figuur 1). De grote mate van variatie bij ‘lesgeven’ wordt gecompenseerd door de aanwezigheid van reeds bestaande edtech startups die hieraan tegemoet komen. Bij ‘verifiëren’ komt de prioritering voort uit relatief gemakkelijk inzetbare technologie door het gebrek aan variatie.  
  • Prioriteit 2: Bij demonstreren en begeleiden is de kostprijs hoog tot gemiddeld. Wel is het zo dat beide activiteiten (relatief) hoog scoren op variatie. Bij ‘demonstreren’ wordt de grotere mate van variatie gedeeltelijk opgevangen door bestaande edtech startups.
  • Prioriteit 3: Bijleren en communiceren scoren gemiddeld tot eerder laag qua kost (zie figuur 1), maar voor ‘communiceren’ bestaan al edtech/learntech bedrijven die activiteiten kunnen ondersteunen en vervangen (zie tabel 1). De inzet van technologie bij de activiteit ‘bijleren’ vloeit vooral voort uit de beperkte variatie.

Waarom technologische oplossingen invoeren?

Bovenstaande analyse geeft een eerste inzicht in waar de opportuniteiten liggen en welke stappen er kunnen geautomatiseerd worden om zo tot meer aandacht en tijd te komen voor de kerntaken van de leerkracht. Vanuit een dergelijk perspectief zijn er geen extra middelen nodig, maar zou een percentage van het onderwijsbudget moeten gereserveerd worden om experimenten op te zetten over het onderwijs van de toekomst.

Blijft u graag op de hoogte van onze nieuwste bijdrages? Schrijf u dan in op onze maandelijkse nieuwsbrief! 

Was deze informatie nuttig?

Bedankt voor uw feedback!
Referenties

 

  • De Saegher, I, Rutten, K. & Souchkov, V. (2012). Function Value Map. Conference paper, ETRIA TRIZ Future 2012, 29-31 oktober, Lissabon.
  • Minnen, J., Verbeylen, J. & Glorieux, I. (2018). Onderzoek naar leraren in het basis- en secundair onderwijs. Vrije Universiteit Brussel: Vakgroep Sociologie, Onderzoeksgroep TOR.

Auteurs

SYNTRA Vlaanderen

Recente blogberichten