Voor u gelezen: Duaal leren in Vlaanderen: kansen en gevaren

In opdracht van SONO (Steunpunt Onderwijsonderzoek) hebben de onderzoekers Dieter Verhaest, Stijn Baert, Katleen De Rick, Kristof De Witte, Ilse Laurijssen, Mike Smet en Ilse Tobback het boek Duaal leren in Vlaanderen: kansen en gevaren geschreven. De focus van deze studie is de invoering van duaal leren in het arbeidsgericht secundair onderwijs in Vlaanderen. Er wordt nagegaan, op basis van de beschikbare wetenschappelijke literatuur en enquêtes, welke de arbeidsmarkt- en onderwijseffecten zijn van duaal leren, en of de Vlaamse context geschikt is om van duaal leren een succes te maken. In wat volgt worden deze vragen en antwoorden voor u uitgelicht met op gepaste tijden een kanttekening.

Duaal leren?

Duaal leren is een leermethode waarbij het aanleren van algemene en beroepsspecifieke competenties verdeeld is over een werkplek bij een onderneming en een opleidingsverstrekker. Het succes van duale trajecten wordt veelal gekoppeld aan een goede aansluiting van het onderwijs met de noden van de arbeidsmarkt. Omdat lerenden op de werkvloer worden opgeleid, leren ze competenties aan die de arbeidsmarkt wenst, waardoor ze snel inzetbaar zijn. Bovendien zorgt duaal leren voor de opbouw van contacten met werkgevers, waardoor het zoeken naar een job efficiënter gebeurt. Daarnaast blijken traditionele duale trajecten effectiever te zijn dan andere programma’s die leren en werken combineren, maar de school- en werkplekcomponent moeten dan goed op elkaar afgestemd zijn.

Algemeen kunnen we besluiten dat de veralgemening van duaal leren in het arbeidsmarktgericht onderwijs in Vlaanderen het potentieel heeft om de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt te bevorderen en de initiële arbeidsmarktkansen van jongeren te verbeteren, zeker wanneer duaal leren erin slaagt om ook jongeren aan te trekken die anders zonder kwalificatie de arbeidsmarkt zouden betreden.
Verhaest, Baert, De Rick, De Witte, Laurijssen, Smet & Tobback, p. 66

Staven de jeugdwerkloosheidscijfers de vraag naar duaal leren?

Vergeleken met andere landen scoort Vlaanderen bovengemiddeld op de relatieve jeugdwerkloosheidsgraad (de absolute jeugdwerkloosheidsgraad afgezet tegenover de absolute werkloosheidsgraad onder volwassenen). Deze score ligt substantieel hoger dan in landen met een sterk ontwikkeld duaal onderwijssysteem, namelijk Denemarken, Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland, en dat vooral voor de midden- en laaggeschoolden. Volgens de auteurs lijkt een hervorming van de instituties op het vlak van het secundair onderwijs naar de arbeidsmarkt dus verdedigbaar.

Wat zijn de verwachte effecten op de arbeidsmarktintrede?

De auteurs concluderen dat op vlak van tewerkstelling en loon, jongeren uit een duaal traject vooral beter scoren in vergelijking met jongeren zonder kwalificatie en jongeren met een algemeen vormende kwalificatie secundair onderwijs. In vergelijking met jongeren met een klassieke voltijdse beroepsgerichte kwalificatie scoren jongeren uit een duaal traject nog steeds beter, maar in mindere mate. Als men ze vergelijkt met jongeren uit het hoger onderwijs scoren ze, zeker op het vlak van het loon, minder goed.

Aan de hand van andere studies tonen de auteurs ook aan dat lerenden uit landen met een sterk ontwikkeld duaal onderwijssysteem: 

  • sneller aan een job geraken;
  • minder vaak in de NEET- (Not in Employment, Education or Training) categorie terechtkomen;
  • een hogere graad van aansluiting vinden tussen de jobs waarvoor ze gestudeerd hebben en waarin ze terecht komen (horizontale match).

Wat zijn de verwachte effecten op de latere loopbaan?

Wat de verwachte effecten op de latere loopbaan betreft zijn de auteurs minder positief. Ze geven aan dat in meerdere studies jongeren uit een duale opleiding minder goed scoren in vergelijking met jongeren met een algemeen-vormende kwalificatie secundair onderwijs. Potentiële verklaringen voor deze negatieve langetermijneffecten zijn volgens de auteurs het risico op veroudering van te specifieke competenties en de moeilijkheid (vooral in TSO) om vaktechnische competenties in symbiose met meer generieke competenties te ontwikkelen.

Enkele kanttekeningen:

Figuur 1. Tewerkstellingsgraad per leeftijd en per onderwijssysteem. (Bron: van de Werfhorst et al., 2016)

Als eerste stellen we dat er binnen de wetenschappelijke literatuur geen eensgezindheid is op vlak van de effecten op lange termijn. Forster, Bol en van de Werfhorst (2016; van de Werfhorst, Forster & Bol 2016) tonen in hun studies aan dat de hierboven geschetste trend niet gevonden wordt in landen met goed uitgebouwde duale systemen (zie figuur 1). Ook van der Velden (2018) stelt dat een beroepsopleiding een betere bescherming geeft dan een algemene opleiding: het leidt tot minder werkloosheid en een betere integratie op de arbeidsmarkt, ook later in de loopbaan. Vooral vakmensen die breed geschoold zijn, hebben goede toekomstperspectieven. Maar daarvoor moet men inderdaad een goede balans ontwikkelen tussen het aanleren van vaktechnische en generieke competenties. Dat laatste vraagt evenwel een flexibele aanpak met oog voor de noden per opleiding of beroep zoals in Denemarken en Duitsland. Kortom, meer gefundeerd onderzoek naar bovenstaande langetermijneffecten specifiek voor Vlaanderen is dus nodig.  

Een tweede kanttekening is dat, in tegenstelling tot wat soms gedacht wordt, duaal leren ook kansen geeft tot het verwerven van 21ste-eeuwse vaardigheden. Soft skills, zoals probleemoplossend en creatief denken, communicatie en samenwerken, zijn volgens de OECD (2018c: 28) “an important part of the skillset in many occupations, and these are best learnt in real workplaces rather than in classrooms or simulated work environments.”  “Door geconfronteerd te worden met reële problemen is een individu via duaal leren in staat om ‘actief’ te leren en is hij/zij beter in staat het geleerde te gebruiken en toe te passen in andere contexten, dan wanneer geleerd wordt in meer traditionele settings." (Sels, Vansteenkiste, Knipprath 2017: 49). Duaal leren is een leermethode die uitermate geschikt is voor het bevorderen van kennistransfer en kan de kans op en bereidheid voor levenslang leren verhogen. Op die manier zorgt het net voor een langdurigere inzetbaarheid op de arbeidsmarkt. Een duaal systeem waarbij gewerkt wordt met alternerende en roterende werkplekken biedt bovendien nog extra voordelen: een lerende komt terecht in verschillende omgevingen en leert zich snel aan te passen. 

Ten laatste merken we op dat duaal leren niet beperkt moet worden tot secundair onderwijs. Als men duaal leren invoert in het hoger onderwijs en volwassenenonderwijs met een focus op volwassenen die willen bijscholen terwijl ze nog verder werken, kunnen de kortetermijneffecten van duaal leren op vlak van arbeidsmarktkansen en verloning ook werken voor mensen die al een (groot) stuk van hun loopbaan doorlopen hebben. Dat is zeker nodig in een samenleving waar we voortdurend moeten blijven leren om de snelheid van verandering te kunnen bijbenen. In zulk een samenleving moeten we af van het idee dat leren zich situeert in de eerste 25 jaar van een mensenleven. Er is nood aan een nieuw model waarin periodes van leren en periodes van werken elkaar afwisselen of zelfs simultaan aanwezig zijn.

Wat zijn de verwachte effecten op ongekwalificeerde uitstroom?

Volgens de auteurs kan duaal leren helpen om schoolmoeheid tegen te gaan, maar het aanbod van werkplekken blijkt in bepaalde landen een knelpunt. De toegang tot werkplekken is vooral een probleem voor jongeren met een kwetsbare achtergrond. Zo vonden Tobback, Verhaest en Baert (2018) op basis van een keuze-experiment dat Vlaamse werkgevers liever werkplekken aanbieden aan jongeren met hoge examenscores en zonder schoolse vertraging, aan jongeren die sterk gemotiveerd zijn, en aan jongeren uit het TSO (vergeleken met jongeren uit het BSO). Om het risico van ongekwalificeerde uitstroom te verlagen kozen de Vlaamse regelgevers voor een parallel systeem van equivalente duale en klassieke trajecten en dit zowel in het BSO als het TSO. Dat heeft als voordelen een lagere afhankelijkheid van het aanbod aan werkplekken, de mogelijkheid om niet-arbeidsrijpe jongeren op te vangen en de beperking van het risico op een verlaagde doorstroom naar het hoger onderwijs.

Een kanttekening:

Wij merken hierbij op dat duaal leren inderdaad niet voor alle jongeren is weggelegd. De Vlaamse Regering heeft met duaal leren gekozen voor het uitwerken van een nieuwe, maar gelijkwaardige leerweg, en niet om het huidige leren en werken in een nieuw jasje te steken. Voor jongeren waarvoor duaal leren geen goede leerweg is, zo blijkt uit vergelijkende studies, moet de regering inzetten op maatregelen die leerlingen voorbereiden op duaal leren, zoals een kwalitatieve aanloopfase, een goede begeleiding, oriëntatie, en studiekeuze. Naast duale opleidingen worden er vanuit de Vlaamse overheid dan ook andere trajecten uitgewerkt. Voor duaal leren zal er een aanloopfase worden voorzien, waarbij leerlingen ‘zo kort als mogelijk en zo lang als nodig’ voorbereid worden op hun instap op de arbeidsmarkt. Hierbij moet men wel bewaken dat deze fase geen stigmatiserend effect zal hebben. Onderwijs-welzijnstrajecten zetten dan weer in op gespecialiseerde trajecten om jongeren met welzijnsproblemen gericht verder te helpen. Binnen de doelgroep waarvoor duaal leren wél een goede keuze is moet er uiteraard aandacht zijn voor een goede toeleiding en het vinden van werkplekken.  

Wat zijn de verwachte effecten op de doorstroom naar het hoger onderwijs?

Op dit vlak duiden de auteurs op een aantal risico’s. Ten eerste geeft men aan dat, net zoals in Duitsland, de ontwikkeling van een sterk duaal systeem een lagere participatiegraad in hoger onderwijs kan betekenen, omdat enerzijds duale trajecten tot een snellere intrede op de arbeidsmarkt leiden, en anderzijds niet alle duale trajecten toegang geven tot hoger onderwijs. Maar tegelijkertijd wijzen ze ook naar de Zwitserse en Deense voorbeelden waar er toch een relatief hoge participatie in het hoger beroepsonderwijs bestaat. De auteurs stellen daarbij dat de uitbouw van duaal leren in het hoger beroepsonderwijs het gevaar op een lagere doorstroom naar het hoger onderwijs kan reduceren.

Om de doorstroom naar het hoger onderwijs te garanderen hebben de Vlaamse regelgevers beslist om de toegang vanuit het 6TSO en het 7BSO (na het volgen van een schakeljaar) tot zowel het professionele als het academische hoger onderwijs ook voor de duale trajecten te behouden. De toegangsvoorwaarden zijn, evenwel, in vergelijking met landen met een duale traditie, veeleer minimaal. Hoewel dit de doorstroom maximaal garandeert, stellen de auteurs dat het een daling van de slaagkansen in het hoger onderwijs als tweede risico inhoudt.

Twee kanttekeningen:

Figuur 2. Overzicht van het aandeel 25 tot 34 jarigen met een hogere opleiding per land. (Bron: OECD, 2018a)

Bij het eerste aangehaalde risico kunnen we in vraag stellen wat er eigenlijk mis is met een snelle intrede op de arbeidsmarkt. Heeft onze samenleving nood aan zo’n hoog aantal hoogopgeleiden als u weet dat in 2017 bijna 46% van de 25-34 jarigen een diploma hoger onderwijs had (OECD 2018a,b: 48, zie figuur 2)? En waarom zijn veel knelpuntberoepen dan eerder van het andere type? Als de arbeidsmarkt dan toch vraagt naar hoger opgeleiden dan zijn het net de meer technische richtingen die momenteel niet veel studenten aantrekken. Naar het voorbeeld van Zwitserland kan dat tij hopelijk gekeerd worden met duale trajecten in zowel het secundair als het hoger onderwijs.

Wat de kwaliteit betreft moet een symbiotische opbouw van generieke en vaktechnische competenties daadwerkelijk bewaakt worden. Een grotere praktijkcomponent in het secundair onderwijs hoeft geen negatief effect te hebben op de latere slaagkansen als men ook daar veeleisend is met betrekking tot de te leren competenties en de evaluatie ervan. Men moet met andere woorden ook voor voldoende leermogelijkheden zorgen op de werkplek en het niet zien als slechts een plaats waar men kennis toepast.

In welke mate is de Vlaamse context geschikt om van duaal leren een succes te maken?

Of de invoering van duaal leren een succesverhaal wordt of niet hangt volgens de auteurs af van de bereidheid van werkgevers en jongeren om in duaal leren te participeren en er voldoende in te investeren. De bereidheid om in te stappen wordt mee bepaald door de aanwezigheid van 5 contextuele factoren op de arbeidsmarkt:

  • een relatief lage loonratio (verhouding middelste lonen t.o.v. laagste lonen);
  • een lage arbeidsmobiliteit;
  • een sterk sociaal partnerschap;
  • de aanwezigheid van grote bedrijven;
  • en traditie/reputatie van duaal leren.

Vlaanderen scoort volgens de auteurs gunstig op het vlak van de aanwezigheid van een lage loonratio, een lage arbeidsmobiliteit en een sterk sociaal partnerschap. Maar ze waarschuwen dat onze regio een relatief sterke dominantie van KMO’s kent. Grote ondernemingen hebben een aantal schaalvoordelen, zoals de eventuele aanwezigheid van binnenhuis opleidingscentra, lagere kosten voor mentoropleidingen en lesmateriaal per leerling, de nieuwste infrastructuur etc. Bovendien lijken grotere ondernemingen meer te investeren in opleidingen en hebben ze meer plaats om de leerlingen effectief aan te werven na de opleiding. Kleine ondernemingen bieden werkplekken vaker aan vanuit een productiemotief, maar aan de andere kant stellen de auteurs ook dat de kwaliteit van het duaal leren hoger ligt bij kleinere ondernemingen (zie ook Tobback, Verhaest & De Rick, 2018). Als conclusie geven de auteurs mee dat men met het hoge aantal KMO’s rekening moet houden bij de uitwerking van duaal leren, zeker ook omdat Vlaanderen niet kan terugvallen op een sterke traditie of reputatie op het vlak van duaal leren.

Zo blijken jongeren in kleinere bedrijven relatief beter te scoren op het vlak van de complexiteit van de uitgevoerde taken of de tijd besteed aan leren door te reflecteren of te experimenteren. Hoewel deze gegevens gebaseerd zijn op rapporteringen van de werkgevers zelf suggereert dit dat de aanwezigheid van kleine bedrijven op het vlak van de kwaliteit van de opleidingen dus eveneens voordelen kan bieden.
Verhaest, Baert, De Rick, De Witte, Laurijssen, Smet & Tobback, p. 47

Twee kanttekeningen:

Figuur 3. Aandeel ondernemingen volgens grootte in aantal werknemers, per land. (Gebaseerd op: OECD, 2017)

De participatie van KMO’s in duale trajecten moet zeker goed begeleid worden, maar het aantal KMO’s in Vlaanderen hoeft geen struikelblok te zijn. In deze studie zetten de auteurs micro-ondernemingen (minder dan 10 werknemers) tegenover grote ondernemingen (meer dan 250 werknemers). Maar dat zegt niet veel over het percentage van KMO’s die bijvoorbeeld ook talrijk zijn in Duitsland én een hoge mate van participatiegraad vertonen in duale trajecten. Bovendien tonen de OECD-cijfers van 2016-2017 (zie figuur 3) dat Denemarken, Oostenrijk, België, en in mindere mate Zwitserland, vergelijkbare cijfers hebben wat grote, middelgrote en kleine bedrijven betreft. Op dat vlak verschilt België dus niet veel van de landen met een uitgebouwd duaal systeem.

Ten tweede, uiteraard zijn de omstandigheden anders bij kleinere ondernemingen, zoals de beperktere infrastructuur en beschikbaarheid van mentoren. Deze beperkingen kunnen echter ondervangen worden, door o.a. het clusteren van meerdere kleinere ondernemingen. Zo kunnen bedrijven in Oostenrijk ‘training alliances’ opzetten met andere ondernemingen (of hiertoe zelfs verplicht worden) als ze niet alleen aan alle vereisten kunnen voldoen. Op deze manier kan er in zowel grote als kleine ondernemingen een leercultuur ontstaan waarbij het bedrijf investeert in de opleiding van werknemers. Naast dit alles is een degelijk systeem van kwaliteitscontrole natuurlijk vereist en moet men voldoende tijd en ruimte geven om duaal te laten slagen.

elke hervorming [heeft] in die zin voldoende tijd en fine-tuning nodig om te kunnen slagen
Verhaest, Baert, De Rick, De Witte, Laurijssen, Smet & Tobback, p. 47

Conclusie

  • De jeugdwerkloosheidscijfers ondersteunen de vraag naar duaal leren ;
  • De kortetermijneffecten van duaal leren zijn over het algemeen positief;
  • De langetermijneffecten zijn minder positief, maar deze kunnen verholpen worden door duaal leren ook voor volwassenen open te stellen:
  • Duaal leren helpt tegen ongekwalificeerde uitstroom met voldoende begeleiding en oriëntering;
  • De doorstroom naar hoger onderwijs is mogelijk, mits oog voor kwaliteit en een duaal aanbod in het hoger onderwijs;
  • Vlaanderen heeft al heel wat in huis om van duaal leren een succes te maken, maar het moet extra aandacht geven aan de werking van KMO's en het imago van duaal leren.

Meer lezen?

Hier vindt u meer informatie over de besproken publicatie.

Was deze informatie nuttig?

Bedankt voor uw feedback!
Referenties

 

Auteurs

Recente blogberichten