Werkplekleren en duaal leren in hoger onderwijs

Nood aan een referentiekader

Er is veel terminologische verwarring rond ‘werkplekleren’ en ‘duaal leren’ in Vlaanderen. Dit referentiekader rond werkplekleren is bedoeld om transparantie te creëren voor alle medewerkers en studenten van graduaats- en bacheloropleidingen van de UCLL, maar het kader brengt ook duidelijkheid aan andere relevante betrokkenen, zoals werkgevers die leerwerkplekken aanbieden. Vanwege de helderheid van dit kader en de interesse vanuit NVAO – De Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie – is het er voorgesteld. Er wordt overwogen om dit model, samen met andere modellen uit Vlaanderen en Nederland, als uitgangspunt voor een leidraad voor kwaliteit van het werkplekleren in het hoger onderwijs te hanteren.

Het referentiekader is een uitwerking van de UCLL-visietekst rond werkplekleren die ontwikkeld werd op basis van de invoering van de graduaatsopleidingen, eerdere onderzoeksprojecten, literatuuronderzoek, decretale definities en bestaande prakijken. Het referentiekader werd verder verfijnd aan de hand van nieuwe ontwikkelingen zoals de ESF-projecten duaal leren, en bevindingen door de werkgroep onderwijsbeleid VLHORA en de Klankbordgroep hogeronderwijsinstellingen van SYNTRA Vlaanderen. 

Het kader bevat 2 belangrijke pijlers, namelijk het basiscontinuüm werkplekleren en 5 dimensies om de verschillende werkvormen van werkplekleren te concretiseren. Om deze pijlers te begrijpen, is het nodig om eerst de term ‘werkplekleren’ onder de loep te nemen. In een later stadium gaan we na hoe duaal leren zich hiertoe verhoudt.

De term ‘werkplekleren’

Werkplekleren is een overkoepelende term. Onder werkplekleren worden leeractiviteiten begrepen die gericht zijn op het verwerven van algemene of beroepsgerichte competenties, waarbij de arbeidssituatie de leeromgeving is.1 De term ‘werkplekleren’ wordt dus vanuit het Vlaamse onderwijsbeleid ruim geïnterpreteerd, en het omvat verschillende mogelijke verschijningsvormen. Ook in de Memorie van toelichting2 bij het ontwerp van decreet betreffende de uitbouw van de graduaatsopleidingen binnen de hogescholen en overdrachtsmaatregelen voor de lerarenopleidingen, wordt de arbeidssituatie ruim ingevuld:

Onder de definitie van werkplekleren kunnen tal van werkvormen geplaatst worden, maar belangrijk is dat het moet gaan om leeractiviteiten. De activiteiten die studenten uitvoeren, hebben dan ook als eerste doel om competenties te verwerven, niet het creëren van economische meerwaarde. Het kan gaan om het verwerven en inoefenen van algemene en/of beroepsgerichte competenties en naargelang de werkvorm wordt er al dan geen arbeid verricht door de student (bv. wel bij stages, niet bij observatieactiviteiten). Er kan maar van werkplekleren worden gesproken, wanneer de arbeidssituatie de leeromgeving is. Aangezien het begrip arbeidssituatie ruim ingevuld kan worden, kunnen de leeractiviteiten georganiseerd worden in reële of gesimuleerde/realistische omgevingen, binnen of buiten de vestiging van een onderwijsinstelling. Onder reële omgevingen worden werkomgevingen verstaan waar er arbeid wordt verricht door werknemers onder toezicht van een werkgever. De keuze voor de werkvormen behoort tot de pedagogische vrijheid van de hogeronderwijsinstellingen, maar de onderwijsinstellingen zullen moeten streven naar de organisatie van leeractiviteiten binnen een reële arbeidssituatie. 
  • 1. Codex Secundair Onderwijs artikel 123/2. Deze definitie werd ook overgenomen in het voorontwerp vandecreet over de graduaatsopleidingen (in de Codex Hoger Onderwijs in te voegen punt 77°/1 in artikel I.3).
  • 2. http://www.acodonderwijs.be/wp-content/uploads/2017/09/HBO5-en-SLO-170717-Memorie-van-toelichting.pdf

Het basiscontinuüm werkplekleren

Afgaande op de voorgaande omschrijvingen staat ‘werkplekleren’ eigenlijk voor een continuüm waarop we een brede waaier van verschijningsvormen kunnen positioneren. Vormen van werkplekleren zijn dus moeilijk in afgebakende hokjes in te delen, maar ze bevinden zich op een basiscontinuüm (Figuur 1) dat gaat van leren in een realistische arbeidssituatie naar leren in een reële arbeidssituatie. We onderscheiden aan de beide uiteinden van het continuüm dus twee soorten van leeromgevingen.

Aan de linkerzijde van het continuüm staan die vormen van werkplekleren waar de leeromgeving bestaat uit een realistische of gesimuleerde arbeidsomgeving. Dat is een leeromgeving die afgeleid wordt van de reële arbeidssituatie; een omgeving waarin de reële arbeidssituatie wordt nagebootst of gesimuleerd. Bijvoorbeeld: leren via een virtueel kantoor, opleidingscentrum, small business projects, simulatie-onderwijs, etc.

Aan de rechterzijde van het continuüm situeren we die vormen waarbij de leeromgeving bestaat uit een reële arbeidssituatie of authentieke leeromgeving. Dat is een arbeidssituatie waar er arbeid verricht wordt, gericht op een reële doelgroep (klanten, patiënten, …), onder begeleiding/opvolging van een werkgever. Bijvoorbeeld: stage doen bij een regulier bedrijf.

De dimensies van werkplekleren

Naast het basiscontinuüm, zijn er nog 5 andere dimensies om de vormen van werkplekleren verder te positioneren op het continuüm (Zie Figuur 2):

  1. Van beperkt (links) tot omvangrijk (rechts) werkplekleren: Het gaat hier over de effectieve omvang van werkplekleren in het curriculum. Dat kan gedefinieerd worden in algemene omschrijvingen (vb. ‘evenwichtig’, ‘aanzienlijk’) of kwantitatief, vb. minstens 30% (in graduaatsopleidingen), minstens x-aantal opleidingsonderdelen (OPO) en/of studiepunten, minstens één fase, minstens 14u op de werkvloer (in secundair onderwijs). Hiermee samenhangend kunnen we spreken over werkplekleren op het niveau van een OPO, op het niveau van een groter geheel (fase of leerlijn) of op het niveau van de hele opleiding.
  2. Van weinig engagement (links) naar cocreatie onderwijs-werkveld (rechts): Deze dimensie vormt ook een continuüm van weinig samenwerking tussen onderwijs en het werkveld (links) naar een effectief engagement met het werkveld (rechts). Werkveld en onderwijs delen dan verantwoordelijkheden met betrekking tot het samen ontwerpen, uitvoeren en opvolgen van het curriculum, met inbegrip van kwaliteitsvol werkplekleren. De hogeschool blijft wel eindverantwoordelijke. Er zijn verschillende taken waar werkveld en onderwijs kunnen samenwerken, denk aan: screening en matching van studenten, het bepalen van competenties, de begeleiding, en de evaluatie.
  3. Van toepassen van geleerde in school (links) naar nieuwe competenties ontwikkelen (rechts): Het ‘leerdoel’ is een vaak gebruikte dimensie om een onderscheid te maken tussen ‘stage/beroepspraktijk’ en andere vormen van werkplekleren. Stage is gericht op het in de praktijk toepassen van een aantal in school aangeleerde competenties, terwijl andere vormen van werkplekleren gericht zijn op het verwerven van ‘nieuwe’ competenties zonder voorbereiding in de schoolste context, vb. training in de bedrijfscontext.
  4. Van beperkt/geïsoleerd (links) naar sterke integratie (rechts) van werkplekleren in het curriculum: De afstemming van het werkplekleren met de andere leeromgevingen in het curriculum vormt een belangrijk kwaliteitskenmerk van werkplekleren (Reenalda, 2011). De mate waarin werkplekleren geïntegreerd en afgestemd is op en met andere leeromgevingen, is een mogelijke dimensie. Het werkplekleren gaat dan van eerder losse onderdelen naar een sterke integratie en afstemming met het leren in andere leeromgevingen. Werkplekleren kan vormelijk op verschillende manieren in het curriculum ingebed worden: in lintvorm (tegelijkertijd leren en werken) of blokvorm (afwisseling lessen - blokken werkplekleren), geleidelijk aan en in toenemende mate, geïntegreerd in OPO’s of in een aparte OPO.
  5. Doelgroep studenten: beperkt aanbod naar alle (reguliere of werkende) studenten: Hier zijn verschillende variaties mogelijk. Werkplekleren kan worden aangeboden als een keuzemogelijkheid of verplicht onderdeel voor een beperkt aantal of voor alle studenten. Studenten die aan werkplekleren doen, kunnen een verschillend ‘profiel’ hebben. Het kan gaan over de reguliere of de werkende student die leren en werken wil combineren. Het werkplekleren kan dan gebeuren binnen de werkplek waar hij/zij zelf tewerkgesteld is of via een andere werkplek. Er is momenteel nog geen statuut voor de student–werknemer.
Uitgangspunt voor de keuze van de soort van leeromgeving (in het continuüm van werkplekleren maar ook van blended learning, of contactonderwijs) is: hoe en waar leert de studentengroep in kwestie het best?

Mogelijke werkvormen van werkplekleren op het continuüm

Rekening houdend met de verschillende dimensies en het basiscontinuüm (realistisch-reëel) kunnen de verschillende werkvormen van werkplekleren bepaald worden.1 Figuur 2 toont hoe deze werkvormen gepositioneerd kunnen worden op het continuüm.

 

  1. Praktijkgericht onderwijs: werken met realistische cases, uitdagingen of probleemstellingen zoals deze op de werkplek voorkomen: casusonderwijs en projectonderwijs, gastcolleges.
  2. Simulatie-onderwijs: Studenten voeren realistische opdrachten uit in een gesimuleerde context voor fictieve klanten, patiënten, zoals in een skillslab/labo, virtueel kantoor, externe opleidingscentra.
  3. (Praktijk)les op de werkplek: Docenten geven les op de sites van bedrijven en gebruiken de werkplek om hun lessen meer aanschouwelijk te maken en de studenten op een veilige manier onder te dompelen in de reële arbeidssituatie.
  4. Training en opleiding op de werkplek: Studenten volgen trainingen/opleidingen georganiseerd vanuit de werkplek; zogenaamde ‘in company-training’.
  5. Reële praktijkopdracht of project: Studenten leren via een opdracht die of project dat ze uitvoeren voor een reële klant (onderneming). De mate van samenwerking met de werkplek in kwestie doorheen het proces, kan verschillen van opdracht tot opdracht (of project tot project).
  6. Verkenning en observatie op de werkplek: Studenten verkennen en observeren de werkplek onder begeleiding. Dat kan al dan niet aan de hand van gerichte opdrachten om de onderneming (cultuur) en een bepaald takenpakket te leren kennen.
  7. Participatie op de werkplek: Hier wordt gekozen voor een mix van observeren en participeren op de werkplek onder begeleiding. De finaliteit van het observeren is om het probleemoplossend denken en vervolgens handelen van de student te vergroten. Observeren betekent hier dat dat de student zal ‘meekijken over de schouder van een medewerker’ die taken uitvoert en tegelijkertijd in dialoog gaat met de medewerker om het hoe en waarom van de taken aan te leren. Vervolgens gaat de student zelf aan de slag. Er wordt ruimte gelaten om verder te gaan dan het toepassen van hetgeen reeds op school is geleerd en het exploreren van nieuwe kennis en vaardigheden wordt gestimuleerd.
  8. Stage (of beroepspraktijk): Dit is een onderdeel van de opleiding waarin een student de theorie, vaardigheden en attitudes (competenties) die hij/zij op school leerde op de werkplek  zal inoefenen, onder begeleiding.
  9. Integratie op de werkplek: Hier gaan studenten, onder begeleiding, enerzijds een aantal competenties die ze in de loop van de opleiding ontwikkeld hebben op zelfstandige wijze inoefenen. Anderzijds zullen de studenten nieuwe competenties op de werkplek aanleren die in mindere mate of nog niet aan bod kwamen op school. De finaliteit van deze vorm van werkplekleren is dat de studenten functioneren als beginnende beroepsbeoefenaars.
  10. Leerbedrijf: In deze vorm van werkplekleren gaan de studenten samen zelf een pop-up store of andere tijdelijke onderneming opstarten en uitbaten van concept tot businessplan tot uitvoering.
  • 1. Zie de bijlage onderaan deze bijdrage voor voorbeelden van werkvormen van werkplekleren per aangegeven dimensie.

Duaal leren?

Duaal leren is sinds dit jaar officieel gestart in het secundair onderwijs na 3 jaren proeftuinen, en het heeft nu ook een reeks proeftuinen in het hoger onderwijs en volwassenenonderwijs dankzij 13 ESF-projecten. Duaal leren is dus een relatief nieuw begrip in Vlaanderen waarmee een terminologische verwarring gepaard gaat. Duaal leren is geen synoniem van werkplekleren. Het staat wel voor een leermethode met een intensieve vorm van werkplekleren die zich aan de rechterkant van het basiscontinuüm bevindt met de daarbij horende dimensies (zie Figuur 2).

Duaal leren is dus een leermethode waarbij het aanleren van algemene en beroepsspecifieke competenties verdeeld is over een werkplek bij minstens een onderneming en een opleidingsverstrekker. De leeromgeving is voornamelijk de reële arbeidssituatie, waarbij de lerende voor een aanzienlijk deel op de werkplek zal leren. Bovendien is duaal leren hoofdzakelijk gericht op het verwerven van nieuwe competenties op de werkplek en niet enkel op het inoefenen ervan. Het curriculum wordt met het werkveld en de onderneming afgestemd, en de opleidingsverstrekker en de onderneming hebben een gedeelde verantwoordelijkheid wat betreft de evaluatie en kwaliteit van het werkplekleren. Bij duaal leren moet er dus zeker sprake zijn van de werkvorm integratie op de werkplek, maar het sluit andere werkvormen van werkplekleren, zoals verkenning, participatie en stage daarom niet uit.

Meer lezen over de visie die UCLL uitwerkte over werkplekleren?

Download hier de volledige tekst.

Visie op werkplekleren UCLL

- visie_op_werkplekleren_ucll.pdf
0.78 MB

Was deze informatie nuttig?

Bedankt voor uw feedback!

Auteurs

SYNTRA Vlaanderen

Recente blogberichten