Webinar alternerende opleidingen - 3 december 2020: verslag

Donderdag 3 december 2020 organiseerde het Departement Onderwijs en Vorming samen met het Agentschap voor Ondernemersvorming SYNTRA Vlaanderen een webinar over alternerende opleidingen.

In het webinar stonden twee onderzoeken centraal die HIVA (KU Leuven) uitvoerde.

  • In een eerste onderzoek bekeken de onderzoekers wat nodig is in het stelsel leren en werken om de gekwalificeerde uitstroom van jongeren te verhogen en de doorstroom naar de arbeidsmarkt te verbeteren. Dat onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van het Departement Onderwijs & Vorming.
  • In een tweede onderzoek evalueerden de onderzoekers via een bevraging bij opleidingsverstrekkers, ondernemingen en leerlingen de vormelijke en praktische vereisten van de regelgeving over alternerende opleidingen, en meer specifiek het Decreet van 10 juni 2016 tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleiding (verder Decreet OAO genoemd). Dat decreet bevat bepalingen over onder meer de types overeenkomsten, het opleidingsplan, de rechten en plichten van de partijen, de leervergoeding en de erkenning van ondernemingen. Het tweede onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van SYNTRA Vlaanderen.

Het webinar kon op veel interesse rekenen. Ruim voor de inschrijvingen sloten, was elk van de 240 virtuele plaatsen al ingenomen. Tal van vertegenwoordigers van opleidingsverstrekkers en ondernemingen, beleidsmedewerkers, onderzoekers enzovoort lieten zich inspireren en deelden hun ervaringen en bedenkingen. We vatten de voormiddag graag voor u samen.

1. Verwelkoming

Jeroen Backs (Departement Onderwijs & Vorming) verwelkomde de deelnemers. Hij lichtte kort de achtergrond van de studies toe die tijdens het webinar centraal stonden. In zijn toelichting legde hij de nadruk op het belang van zowel vaktechnische als algemene vorming, met het oog op inzetbaarheid op de arbeidsmarkt. Ook vroeg hij om bijkomende aandacht voor kwetsbare leerlingen.

2. Plenaire sessie: voorstelling van de onderzoeken

De onderzoekers stelden beide studies voor en beantwoordden enkele vragen van het publiek. De presentatie richtte zich op onderzoeksbevindingen op drie niveaus: micro (toeleiding van de leerling), meso (begeleiding van de leerling) en macro (formele omkadering van de alternerende opleidingen).

Download hier de presentatie.

Presentatie

- presentatie_hiva_webinar_ao.pdf
0.71 MB

Liever lezen? De onderzoekers schreven hun presentatie ook neer op deze pagina.

3. Reflectie in kleine groep

Na de voorstelling van de onderzoeksresultaten, was er ruimte voor reflectie in kleine groep. Vier groepen bekeken de bevindingen vanuit het perspectief van de ondernemingen, 4 groepen vanuit het perspectief van de opleidingsverstrekkers en 2 groepen vanuit het perspectief van de ondersteuners. De implicaties van de onderzoeksresultaten voor de praktijk en het beleid stonden daarbij centraal. Elk van de groepsdiscussies vertrok vanuit een of meerdere stellingen of vragen die de moderator in de groep wierp.

De belangrijkste opmerkingen en bedenkingen vatten we voor u samen. Omwille van de inhoudelijke overlap worden de bedenkingen vanuit het perspectief van de opleidingsverstrekkers en ondersteuners, samen besproken.

Reflecties vanuit het perspectief van de ondernemingen

  • Om ondernemingen te stimuleren om in het systeem van alternerend leren in te stappen, moeten succesverhalen gedeeld worden.
  • Ondernemingen die afhaken na een slechte ervaring, moeten bijkomend ondersteund worden om opnieuw in te stappen.
  • Ondernemingen doen vaak een beroep op de opleidingsverstrekkers om informatie en hulp te bekomen.
  • Flexibiliteit in de erkenningen kan een oplossing zijn voor sommige knelpunten die ondernemingen ervaren. Voor ondernemingen die omwille van hun beperkt aanbod niet erkend kunnen worden, kan het bijvoorbeeld zinvol zijn om een samenwerking met andere ondernemingen aan te gaan. Wanneer een onderneming verschillende vestigingen wil laten erkennen, moet voor elke vestiging een erkenning ingediend worden, zelfs al zijn de vestigingen onderling gelijkaardig. Ook dat zou vereenvoudigd kunnen worden.
  • Het mentorschap kost veel tijd, en die is er niet steeds in ondernemingen. Mentoren zijn binnen ondernemingen vaak ook de specialisten wat betreft de overeenkomst en verplichtingen. De concrete invulling van het mentorschap is eerder een individuele zaak. Een bedrijfsbrede visie lijkt doorgaans niet aanwezig.
  • Ondernemingen moeten werk maken van een leercultuur. Daar wordt al op ingezet, maar bijkomende stimulansen zijn steeds welkom. Sommige ondernemingen vinden bijvoorbeeld dat de mentoropleiding te veel tijd in beslag neemt. Ondernemingen hebben soms ook moeite met het feit dat leerlingen mogen ‘falen’ tijdens hun leerproces.
  • Wat betreft de verplichte aanlevering van het bewijs van goed gedrag en zeden (model 2) voor mentoren, wordt opgemerkt dat het essentieel is, net om jongeren te beschermen en om de kwaliteit van duaal leren te waarborgen. Maar over de absolute noodzaak ervan, is er onenigheid. Ook de strakke termijn voor aanlevering van het bewijs, kan volgens sommigen wat losser gelaten worden.
  • De vraag rijst in welk systeem jongeren terechtkunnen die vooral vanuit het motief van ‘verdienen’ en ‘werken’ een opleiding willen volgen.
  • Om alternerende opleidingen een succes te laten worden, moeten de actoren uit de domeinen ‘werk’ en ‘onderwijs’ op één lijn zitten. Op die manier kan de vraag naar leerwerkplekken vanwege leerlingen én vanwege ondernemingen op elkaar afgestemd worden.
  • De grootte van de onderneming speelt een rol in de omkadering van leerlingen in een alternerende opleiding. Zo is het voor Kmo’s moeilijker om tijd te maken voor begeleiding van leerlingen, en zijn ze logistiek beperkter uitgerust. Er zijn ook sectorale verschillen, bijvoorbeeld wat betreft de actieve toeleiding van ondernemingen.
  • De coronacrisis heeft volgens de deelnemers mogelijk een impact op de mogelijkheden en bereidheid van ondernemingen om leerlingen in alternerende opleidingen op te leiden.

Reflecties vanuit het perspectief van de opleidingsverstrekkers en ondersteuners

  • Het eerste onderzoek focust op leerlingen met een nood aan ondersteuning. Daardoor kan de perceptie ontstaan dat elke leerling die nood heeft, terwijl dat niet zo is. 
  • Ondanks het nut van ondersteuning door organisatoren voor bepaalde leerlingen, ervaren sommige opleidingsverstrekkers het als een verzwaring van het proces (bijvoorbeeld omwille van de nodige afstemming). Daarom bieden veel opleidingsverstrekkers zelf ondersteuning aan. Opleidingsverstrekkers nemen dan ook het overgrote deel van de begeleiding op zich. Daardoor wordt het een en-en-verhaal: én begeleiding door de opleidingsverstrekker, én begeleiding door een organisator.
  • Het is moeilijk om een evenwicht te vinden tussen het voorzien van voldoende aanbod aan ondersteuningsorganisaties enerzijds en het voorkomen van versnippering van die organisaties anderzijds.
  • Trajectbegeleiding is cruciaal om kwaliteit te garanderen. Het is nodig om in te zetten op professionalisering van leerkrachten, zodat ze bijvoorbeeld meer voeling krijgen met de praktijk, als dat nog niet het geval is. Het kan een meerwaarde betekenen als mentoren en trajectbegeleiders samen een opleiding volgen met het oog op wederzijdse kennisdeling. Trajectbegeleiders worden ondersteund door technisch adviseurs-coördinatoren, die daarvoor ook de nodige ruimte moeten krijgen. Bij trajectbegeleiding komt veel administratie kijken. Dat kan trajectbegeleiders afschrikken, in het bijzonder als ze de job van deeltijdse leerkracht combineren (bv. met een eigen onderneming). 
  • Wat het alterneringsplan betreft (in het kader van de alternerende beroepsopleiding buso -ABO) werd opgemerkt dat het niet steeds evident is om doelstellingen te bepalen.
  • Het is niet steeds eenvoudig op een opleidingsplan op te stellen. De integratie van emotionele doelen vormt bijvoorbeeld wel eens een probleem. Mogelijk kan het onderling delen van opleidingsplannen de taak vergemakkelijken.
  • Het onderzoek stelt dat een goede ‘klik’ tussen leerling en begeleider belangrijk is. Het ontbreekt de opleidingsverstrekkers soms aan middelen om daar actief mee aan de slag te gaan. Bovendien is het belangrijk dat de begeleider voldoende voeling heeft met de sector. Het bekomen van een match tussen begeleider, sector en leerling is soms moeilijk te realiseren.

4. Reflectie vanwege het beleid

Tot slot gaven beleidsmakers vanuit de perspectieven van Werk en Onderwijs aan welke lessen zij trekken voor het toekomstige beleid omtrent alternerende opleidingen.

An Katrien Sodermans (SYNTRA Vlaanderen) vatte de belangrijkste lessen samen van het onderzoek naar de regelgeving over alternerende opleidingen (het Decreet OAO). Waardevolle inzichten die het onderzoek naar haar mening opleverde, zijn onder meer de volgende:

  • Er is een grote vertegenwoordiging van micro-ondernemingen in duaal leren, en die micro-ondernemingen verdienen (blijvend) aandacht;
  • Er is vraag naar flexibiliteit, zowel vanwege de opleidingsverstrekkers als de ondernemingen.
  • Het imago van duaal leren kan beter.
  • Ondernemingen doen aan duaal leren vanuit een investeringsmotief: ze willen jongeren opleiden, en zijn niet zomaar op zoek naar goedkope werkkrachten.
  • Ondernemingen die duaal leren aanbieden of erin willen stappen, ervaren wel enkele drempels.
  • Er is nood aan goede matching.
  • De mentor heeft een belangrijke rol.
  • Leerlingen voelen zich na duaal leren echt klaar voor hun intrede op de arbeidsmarkt.

Carl Lamote (Departement Onderwijs & Vorming) greep de resultaten van het onderzoek gericht op de verhoging van de gekwalificeerde uitstroom van jongeren en de verbetering van de doorstroom naar de arbeidsmarkt aan om enkele reflecties te formuleren.

Hij benadrukte dat de resultaten van het onderzoek mee inspiratie zullen bieden voor de verdere evidence informed beleidsvoering rond het thema. Een belangrijke conclusie waartoe het huidige onderzoek leidde, is dat interventies die inzetten op de individuele begeleiding op maat van de jongere, het meest succesvol zijn. Onmisbaar is het samenspel tussen de betrokken actoren: op basis van een goede verstandhouding kunnen ze samen, als partners, naar eenzelfde doel toewerken, namelijk jongeren een optimale kans tot kwalificatie geven. Vertrouwen, continuïteit in begeleiding en individueel maatwerk vormen de basis voor het toekomstige beleid op dat vlak.

Andere relevante informatie

Interesse in het onderzoek naar het Decreet van 10 juni 2016 tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleiding? Dan is volgende informatie mogelijk ook interessant voor u:

Was deze informatie nuttig?

Bedankt voor uw feedback!

Recente blogberichten